Klantenvergoeding voor de handelsagent onder artikel 7:442 BW: wanneer de principaal betaalt, het plafond van één jaarbeloning en de vervaltermijn van een jaar

Een fabrikant werkt jaren met een zelfstandige vertegenwoordiger die installateurs en showrooms bezoekt, orders binnenbrengt en daarover provisie krijgt. Dan zegt de fabrikant op en bestellen de klanten rechtstreeks door. Voor die situatie kent het Burgerlijk Wetboek de klantenvergoeding van artikel 7:442 BW. Dit artikel legt uit wanneer die vergoeding verschuldigd is, hoe hoog ze maximaal is, welke opzegtermijn geldt en welke contractbepalingen de wet opzij zet.

Opzegtermijn van artikel 7:437 BW en de voorwaarden van artikel 7:442 BW

Is in het agentuurcontract niets afgesproken, dan geldt een opzegtermijn van vier maanden, vijf maanden na drie jaar en zes maanden na zes jaar. Partijen mogen niet onder een, twee of drie maanden gaan, en de termijn voor de principaal mag niet korter zijn dan die voor de agent. De klantenvergoeding is verschuldigd als de agent nieuwe klanten aanbracht of de omzet met bestaande klanten aanmerkelijk uitbreidde, die klanten de principaal nog aanzienlijke voordelen opleveren en een vergoeding billijk is. Zegt de agent zelf op zonder rechtvaardiging, of beëindigt de principaal om een dringende reden die de agent te verwijten is, dan vervalt de aanspraak. Een agent die stopt vanwege leeftijd, invaliditeit of ziekte behoudt de aanspraak als van hem redelijkerwijs niet meer kan worden gevergd dat hij doorwerkt, mits ook aan de overige voorwaarden is voldaan.

Maximaal één jaarbeloning, en een melding binnen een jaar

De vergoeding bedraagt ten hoogste de beloning van één jaar, berekend naar het gemiddelde van de laatste vijf jaren. Bij 40.000, 52.000, 61.000, 58.000 en 49.000 euro ligt het plafond op 52.000 euro; de rechter kan lager uitkomen. De agent moet de principaal uiterlijk een jaar na het einde laten weten dat hij vergoeding verlangt, anders vervalt het recht.

Afstandsclausules en het concurrentiebeding van artikel 7:443 BW

Een contractbepaling die de vergoeding vooraf uitsluit of verlaagt, werkt niet ten nadele van de agent; na het einde kunnen partijen wel een regeling treffen. Een concurrentiebeding moet schriftelijk zijn, beperkt tot het soort producten en het toevertrouwde gebied (eventueel met de klantenkring daarin), en geldt hoogstens twee jaar. Het volledige artikel bevat een rekenvoorbeeld, een vergelijking met de goodwill bij de koop van een onderneming en zes punten om in uw eigen agentuurcontract na te lopen.

Read more

Medeoprichter vertrekt uit de bv: good leaver en bad leaver, de aanbiedingsplicht van artikel 2:192 BW en de prijs die deskundigen vaststellen

Drie oprichters, elk een derde van de aandelen, en na twee jaar wil er één stoppen. Het bedrijf draait door, maar een derde van de zeggenschap en de winst zit bij iemand die er niet meer werkt. Wie de aandelen koopt, tegen welke prijs en of de vertrekker kan weigeren, staat meestal in de statuten en de aandeelhoudersovereenkomst. Dit artikel legt uit wat Boek 2 BW regelt over een good leaver- en bad leaverregeling in een bv, waar de wet een grens trekt en hoe u de regeling opschrijft.

Artikel 2:192 BW: aanbiedingsplicht, volmacht en een prijs van deskundigen

De statuten kunnen een aandeelhouder verplichten zijn aandelen aan te bieden en over te dragen in gevallen die de statuten zelf omschrijven, en de bv een onherroepelijke volmacht geven om dat zo nodig zelf te doen. Zolang de vertrekker niet meewerkt, kunnen stemrecht, dividendrecht en vergaderrecht zijn opgeschort. Daar staan twee grenzen tegenover: zo'n verplichting kan niet tegen de wil van de aandeelhouder worden opgelegd, en de aandeelhouder krijgt op verzoek een prijs gelijk aan de waarde die onafhankelijke deskundigen vaststellen. Een lagere bad leaverprijs staat daarom alleen stevig als iedere oprichter er zelf mee heeft ingestemd.

Statuten, aandeelhoudersovereenkomst en de koppeling aan het bestuurderschap

Een regeling die alleen in de aandeelhoudersovereenkomst staat, bindt alleen wie tekent; een latere investeerder valt erbuiten zolang hij niet contractueel toetreedt. De overdracht vereist altijd een notariële akte. Zijn er geen gegadigden aan wie de vertrekker kan overdragen, dan ontbreekt de volmacht van de bv en is hij volgens artikel 2:192 lid 5 BW onherroepelijk ontheven van de aanbiedings- en overdrachtsplicht en van de opschorting van zijn rechten. Wie "ontslag als bestuurder" tot bad leavergrond maakt, geeft de meerderheid de macht de prijs zelf te bepalen, omdat een bestuurder volgens artikel 2:244 BW altijd kan worden ontslagen. Vesting over vier jaar maakt de uitkomst voorspelbaarder, en een korting die de hele waarde wegneemt, roept de vraag op of zij als boetebeding kan worden gematigd.

Zonder regeling: uittreding en uitstoting bij de Ondernemingskamer

Ontbreekt een regeling, dan resten de procedures van artikel 2:343 BW (uittreding) en artikel 2:336a BW (uitstoting) bij de Ondernemingskamer in Amsterdam, met de kosten en de tijd die daarbij horen. Het artikel sluit af met zeven punten om uw eigen leaverregeling te controleren.

Read more

Contractuele boete matigen onder artikel 6:94 BW: de arresten Intrahof/Bart Smit van 27 april 2007 en Turan/Easystaff van 16 februari 2018, en hoe u uw boetebeding daarop schrijft

Een uitzendbureau sloot een exclusiviteitsovereenkomst met een payrollorganisatie, met een boete van 20.000 euro per overtreding en 5.000 euro per dag. Na overtredingen van nog geen drie maanden vorderde het 1.230.000 euro; het hof wees 21.150 euro toe bij een vastgestelde schade van 5.906,25 euro, en de Hoge Raad liet dat op 16 februari 2018 in stand (Turan/Easystaff). Dit artikel legt uit wat artikel 6:91 tot en met 6:94 BW over het boetebeding regelen, welke maatstaf de Hoge Raad op 27 april 2007 in Intrahof/Bart Smit gaf voor matiging van een contractuele boete, en welke keuzes u bij een boetebeding in een NDA, exclusiviteitsafspraak, leveringscontract of huurovereenkomst maakt om een matigingsverweer zo weinig mogelijk aanknopingspunten te geven.

Wat de wet regelt en wat u niet kunt wegcontracteren

De boete treedt volgens artikel 6:92 lid 2 BW in de plaats van de wettelijke schadevergoeding, tenzij het beding anders zegt; de boete is niet verschuldigd als de tekortkoming niet toerekenbaar is; en voor het opeisen geldt dezelfde aanmaningseis als voor schadevergoeding, tenzij partijen de boete direct opeisbaar maken. Artikel 6:94 lid 1 BW laat de rechter matigen als de billijkheid dat klaarblijkelijk eist, nooit tot onder de wettelijke schadevergoeding, en lid 3 verklaart ieder beding dat die bevoegdheid uitsluit nietig.

De maatstaf van 2007 en de vijf omstandigheden van 2018

In Intrahof/Bart Smit had het hof een huurboete van ruim 100.000 euro gematigd alleen omdat zij ver boven de wettelijke rente uitkwam. De Hoge Raad vernietigde dat: matiging mag pas als toepassing van het beding tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt, en de rechter weegt daarbij ook de aard van de overeenkomst, de inhoud en strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen. In Turan/Easystaff bleef de matiging juist overeind, omdat het hof vijf omstandigheden in samenhang had gewogen: de schuldeiser had het beding opgesteld en het bedrag bepaald zonder onderhandeling, Protec had niet toegelicht waarop de hoge boetebedragen waren gebaseerd, de boete stond in geen verhouding tot de schade, het ging om enkele incidenten aan het begin van de relatie, en de beboete handelingen hadden niet tot verlies van klanten geleid. Die vijf omstandigheden zijn een voorbeeld van wat meeweegt, geen uitputtende lijst.

Zeven onderdelen van een boetebeding, afgeleid uit beide arresten

Uit beide arresten volgt een checklist voor uw boetebeding: verschillende bedragen voor verschillende overtredingen in plaats van één eenheidsboete, een herleidbaar bedrag met een vastgelegde onderbouwing, een dagboete met een plafond, bewijs dat over het beding is onderhandeld, een uitdrukkelijke keuze tussen boete en schadevergoeding, een duidelijke regeling van opeisbaarheid en aanmaning, en een afbakening van overmacht. Wie zelf een boete gepresenteerd krijgt, loopt dezelfde zeven punten in omgekeerde richting langs. Met de contractscan van JAVB ziet u waar uw eigen beding op deze punten kwetsbaar is.

Read more

Een AI-agent logt in met geldige inloggegevens en wijzigt klantdata: de AEPD-melding van 14 september 2026, uw inloggegevensclausule, artikel 32 AVG en de exoneratie in uw SaaS-contract

Op 14 september 2026 berichtte de Spaanse toezichthouder AEPD over de eerste bij haar ingediende melding van een inbreuk waarbij de aanval volgens de melder door een AI-agent werd uitgevoerd. De agent logde met bestaande inloggegevens in, zocht daarna zelfstandig naar zwakke plekken in de applicatie en kon uiteindelijk persoonsgegevens wijzigen en facturen inzien; de AEPD benadrukt dat de melding nog onderzocht moet worden. Stel dat hetzelfde gebeurt bij een Nederlands bedrijf dat zijn klantportaal of administratie bij een SaaS-leverancier afneemt. Wie draagt dan de schade, de klant of de leverancier? Het antwoord staat verspreid over de inloggegevensclausule in de leveranciersvoorwaarden, de beveiligingsplicht van artikel 32 AVG en de exoneratie voor handelen van derden.

Een geldige login en daarna een zoektocht die mogelijk buiten de accountrechten kwam

De clausule dat alles wat via uw account gebeurt voor uw rekening komt, is geschreven voor de eerste fase van zo'n incident: iemand komt met bestaande inloggegevens binnen. Hoe die gegevens bij de aanvaller terechtkwamen, is dan de eerste vraag. De tweede fase vraagt een eigen beoordeling: als de agent daarbij buiten de toegekende accountrechten kwam, benutte hij een gebrek in de applicatie. Onder de uitlegmaatstaf van het arrest Haviltex van 13 maart 1981 wegen de tekst van de clausule, het overeengekomen beveiligingsniveau, het accountbeheer door de klant en het oorzakelijk verband mee; een wachtwoordclausule pleit er in de regel niet voor dat de klant ook kwetsbaarheden in de code van de leverancier draagt.

Artikel 32 AVG, artikel 33 AVG en de exoneratie voor handelen van derden

De AEPD verbindt vier gevolgen aan de melding: AI-aanvallen horen uitdrukkelijk in de risicoanalyse, reactietijden moeten opnieuw worden bekeken, API-sleutels en tokens met te ruime rechten worden het zwakke punt, en detectie kan niet alleen op handmatig ingrijpen rusten. Die vier punten zijn een signaal van een toezichthouder, geen Nederlandse norm, maar zij horen als afspraken in de beveiligingsbijlage die artikel 28 lid 3 onder c AVG naast artikel 32 AVG van uw verwerkersovereenkomst verlangt. Een ongeoorloofde wijziging van gegevens door een beveiligingsinbreuk is een inbreuk in de zin van artikel 4 onder 12 AVG, ook zonder dat er iets naar buiten lekt; uw leverancier informeert u zonder onredelijke vertraging en u meldt waar mogelijk binnen 72 uur na kennisneming, tenzij een risico voor betrokkenen onwaarschijnlijk is. Een exoneratie voor handelen van derden neemt een kwetsbaarheid in de eigen applicatie van de leverancier niet zonder meer weg: artikel 6:75 BW rekent zo'n tekortkoming in de regel aan hem toe, afhankelijk van het contract, de beveiligingsafspraken en de omstandigheden, en artikel 6:248 lid 2 BW begrenst het beroep op de uitsluiting.

Vijf vragen aan uw leverancierscontract

Het artikel sluit af met vijf vragen: waar de inloggegevensclausule eindigt, of de beveiligingsbijlage een norm en het principe van minimale rechten voor sleutels noemt, of de meldtermijn in uren staat, wie de logbestanden bewaart die de twee fasen van een aanval uit elkaar houden, en of de exoneratie een uitzondering maakt voor gebreken in de eigen applicatie. Met de contractscan van JAVB loopt u die vijf punten in uw eigen contract na.

Read more

Incassokosten en handelsrente bij een zakelijke wanbetaler: de staffel van 27 maart 2012, de 10,40 procent van dit halfjaar en het arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2015 over uw incassobeding

Een zakelijke klant betaalt een factuur van 12.000 euro niet. Wat u daar wettelijk bovenop mag rekenen, staat op drie plekken: artikel 6:96 BW met het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van 27 maart 2012, en de artikelen 6:119a en 6:120 BW over de wettelijke handelsrente. Voor het tweede halfjaar van 2026 komt dat uit op 895 euro aan incassokosten en 10,40 procent rente per jaar, gemiddeld 104 euro per maand. Beide bedragen gelden zonder dat u er iets over heeft afgesproken; de rente loopt vanzelf, de volledige staffel vraagt eerst een aanmaning.

De staffel van het Besluit en het minimum van 40 euro bij handelsovereenkomsten

Het Besluit rekent 15 procent over de eerste 2.500 euro van de hoofdsom, daarna 10, 5, 1 en 0,5 procent over de volgende tranches, met een plafond van 6.775 euro. Bij een handelsovereenkomst is volgens artikel 6:96 lid 4 BW ten minste 40 euro verschuldigd zonder aanmaning, vanaf de dag na de uiterste betaaldag, en daarvan mag niet ten nadele van de schuldeiser worden afgeweken. De veertiendagenbrief geldt alleen voor consumenten; een bv of een zakelijk inkopende eenmanszaak heeft daar geen recht op.

Handelsrente van 10,40 procent en het arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2015

De handelsrente is de ECB-herfinancieringsrente vóór het begin van het halfjaar plus acht procentpunten. Met de ECB-stand van 2,40 procent sinds 17 juni 2026 is dat 10,40 procent voor het halfjaar dat op 1 juli 2026 begon; de verhoging naar 2,65 procent per 16 september 2026 werkt pas op 1 januari 2027 door. De rente loopt van rechtswege, zonder ingebrekestelling. Veel algemene voorwaarden bevatten daarnaast een eigen incassobeding van 15 procent. De Hoge Raad besliste op 10 juli 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1868) dat zo'n beding tussen ondernemingen geldig is, maar dat de rechter het ambtshalve kan matigen tot het staffelbedrag, tenzij de schuldeiser stelt en aannemelijk maakt dat zijn werkelijke kosten hoger en redelijk waren.

Artikel 6:44 BW en de deelbetaling die het dossier niet sluit

Hetzelfde arrest bevestigt dat incassokosten onder artikel 6:44 lid 1 BW vallen: een betaling wordt eerst op de kosten, dan op de rente en pas daarna op de hoofdsom toegerekend. De klant die na een sommatie precies de hoofdsom overmaakt, laat daarmee een deel van de hoofdsom openstaan waarover de rente doorloopt. Het artikel sluit af met vijf dingen die u vóór de eerste aanmaning vastlegt, van de uiterste betaaldag en het ontvangstbewijs van de factuur tot de schriftelijke toerekening van elke deelbetaling.

Read more

Vanaf 9 december 2026 is software een product: Richtlijn (EU) 2024/2853, wetsvoorstel 36906 en waarom uw exoneratieclausule de claim niet meer tegenhoudt

Op 9 september 2026 is wetsvoorstel 36906 aangemeld voor plenaire behandeling in de Tweede Kamer. Dat voorstel zet Richtlijn (EU) 2024/2853 om in het Burgerlijk Wetboek, en de Europese omzettingstermijn loopt af op 9 december 2026. Vanaf die datum geldt voor alles wat daarna in de handel wordt gebracht een nieuw regime, waarin software volgens artikel 4 uitdrukkelijk een product is. Voor softwarebedrijven, machinebouwers met firmware, importeurs en integratiepartijen is dat geen detail: het is een risicoaansprakelijkheid die buiten het contract om loopt.

Waarom de exoneratie in uw voorwaarden hier niets doet

Artikel 15 van de richtlijn verbiedt beperking of uitsluiting van de aansprakelijkheid jegens de benadeelde. Geen aansprakelijkheidsplafond, geen uitsluiting van gevolgschade, geen beperking tot twaalf maanden contractwaarde. Die bedingen blijven werken tussen contractspartijen en raken de vordering van de benadeelde niet. Wat vanaf december het werk moet doen, is de vrijwaring voor aanspraken van derden: de afspraak die bepaalt wie in de keten uiteindelijk betaalt. In veel Nederlandse leveringsvoorwaarden staat een uitvoerige exoneratie en geen woord over vrijwaring. De schade die onder de richtlijn valt is wel begrensd — letsel, zaakschade en dataverlies in de privésfeer, niet de bedrijfsschade van uw zakelijke klant.

Bewijs, updates en de vraag wanneer u zelf fabrikant wordt

Artikel 9 geeft de rechter de bevoegdheid om afgifte van relevant bewijsmateriaal te bevelen; artikel 10 laat het gebrek vermoeden als die stukken uitblijven. Uw release-administratie, testrapporten en incidentenregister worden daarmee procesdocumenten. Artikel 7 lid 2 rekent het vermogen van een product om na levering te blijven leren mee bij de beoordeling van gebrekkigheid, en artikel 11 lid 2 sluit vrijstelling uit wanneer het gebrek te wijten is aan software, aan updates of aan het ontbreken van beveiligingsupdates. Wie bovendien de software van een ander ingrijpend wijzigt en onder eigen naam levert, geldt op grond van artikel 8 lid 2 zelf als fabrikant voor die wijziging.

Zes vragen vóór 9 december

Het artikel eindigt met zes concrete vragen over uw inkoop- en leveringsvoorwaarden: welke producten software bevatten, wie per onderdeel fabrikant is, of er een vrijwaring tegenover de exoneratie staat, tot wanneer u beveiligingsupdates levert in verhouding tot de vervaltermijn van tien jaar in artikel 17, welke documenten u zou moeten afgeven, en of u per levering kunt aantonen wanneer het product in de handel kwam. Die laatste vraag beslist welk van de twee regimes geldt.

Read more

Huurcontract bedrijfsruimte checken in 2026: looptijd, opzegging, huurprijsindexering en huurprijsherziening na vijf jaar (artikel 7:292, 7:293 en 7:303 BW)

U tekent voor een winkelpand een huurovereenkomst op het ROZ-model, vijf jaar plus vijf jaar, met een jaarlijkse huurprijsaanpassing volgens de indexeringsbepaling van het model. In jaar vier wilt u weg, in jaar zes vindt u de huur te hoog vergeleken met de buren. Wat er dan kan, staat in de wet, in het model en in de bijzondere bepalingen. Dit artikel gaat verder waar het stuk van 24 augustus over de bestemmingsclausule ophield: u valt onder artikel 7:290 BW, en nu wilt u weten wat het contract met de looptijd, de opzegging en de huurprijs doet.

Looptijd, verlenging en opzegging: artikel 7:292, 7:293, 7:296 en 7:301 BW

Een huurovereenkomst bedrijfsruimte geldt als hoofdregel voor vijf jaar, of langer als dat is afgesproken; een overeenkomst van vijf jaar wordt van rechtswege met vijf jaar verlengd, een langere eerste duur tot in totaal tien jaar; na tien jaar loopt zij voor onbepaalde tijd door, tenzij het contract iets anders regelt. Een contract van twee jaar of korter valt buiten die regels, tot het gebruik langer duurt: dan ontstaat als hoofdregel van rechtswege een vijfjaarscontract. Bij zo'n vijfjaarscontract kan de huurder alleen tegen het einde van een termijn opzeggen, bij exploot of aangetekende brief, met ten minste een jaar; wie in jaar vier weg wil, zit al aan de grens. De verhuurder moet gronden noemen en kan tegen het einde van de eerste vijf jaar alleen beëindigen als de bedrijfsvoering van de huurder niet is geweest zoals een goed huurder betaamt, of bij dringend eigen gebruik. Een afwijking ten nadele van de huurder is zonder goedkeuring van de kantonrechter vernietigbaar.

Huurprijsindexering sinds het ROZ-keuzemenu van 10 april 2024 en huurprijsherziening na vijf jaar (artikel 7:303 BW)

De indexering is een contractafspraak; de wet regelt haar niet. Sinds 10 april 2024 bieden de ROZ-modellen, na gesprekken met de ACM, een keuzemenu (artikel 4.5 in het model 2022, artikel 4.7 in het model 2025): CPI, een vast percentage, een index naar keuze of geen automatische aanpassing; is een ouder model met de oude CPI-bepaling overeengekomen en ongewijzigd gelaten, dan blijft die bepaling gelden. Daarnaast volgt de huurprijsherziening van artikel 7:303 BW de markt: zowel huurder als verhuurder kan na afloop van de overeengekomen duur, en daarna telkens na vijf jaar, de rechter vragen de huur nader vast te stellen naar het gemiddelde van vergelijkbare bedrijfsruimte ter plaatse over de voorafgaande vijf jaar, met een deskundigenadvies als voorwaarde volgens artikel 7:304 BW. Het artikel sluit af met zes controlepunten en de huurcontractcheck van JAVB, die het contract per clausule groen, oranje of rood kleurt.

Read more

Een leveranciers- of distributierelatie zonder opzegbepaling opzeggen: zwaarwegende grond, opzegtermijn en schadevergoeding volgens de Hoge Raad van 28 oktober 2011 en 2 februari 2018

Een leveranciers-, distributie- of dienstverleningsrelatie loopt jaren door zonder dat ooit is opgeschreven hoe zij eindigt. Dan komt de brief, met een termijn van een maand. De vraag is zelden of opzeggen mag, want dat mag in beginsel. De vraag is op welke grond, met welke termijn, en of er een vergoeding bij hoort.

De maatstaf van de Hoge Raad uit 2011 en 2018

In De Ronde Venen/Stedin van 28 oktober 2011 besliste de Hoge Raad dat een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd zonder opzegregeling in beginsel opzegbaar is, maar dat de eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat een voldoende zwaarwegende grond nodig is, dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen, of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een schadevergoeding. Auping/Beverslaap bevestigde die lijn in 2013 voor een distributieverhouding. In Goglio/SMQ Europe van 2 februari 2018 kwam daar de andere helft bij: staat er wél een opzegregeling in wet of contract, dan is dat beding het uitgangspunt en kunnen aanvullende eisen alleen worden gesteld voor zover wet en overeenkomst daarvoor ruimte laten. Een uitgeschreven opzegbeding is daarmee aanzienlijk sterker dan geen beding.

Waarom uw jaarrekening de opzegtermijn bepaalt

Rechters wegen de duur van de relatie, de afhankelijkheid, de omzet en vooral de investeringen die alleen binnen deze samenwerking waarde hebben. Daaruit volgt een anker dat zelden wordt gebruikt: de resterende afschrijvingstermijn van de machine, koppeling of certificering die voor deze afnemer is aangeschaft. Die termijn staat al jaren in de boeken, is door een accountant gezien, en zegt hoeveel tijd de opgezegde partij zelf nodig achtte om de investering terug te verdienen.

Agentuur, distributie en zeven vragen vooraf

Bemiddelt de wederpartij tegen provisie op uw naam, dan gelden de dwingende opzegtermijn van artikel 7:437 BW en de klantenvergoeding van artikel 7:442 BW. Koopt zij voor eigen rekening in, dan is het distributie en geldt de open weging. Het artikel geeft zeven vragen die u beantwoordt voordat de opzeggingsbrief de deur uitgaat, en zegt wat u doet als de brief al is verstuurd of juist bij u is binnengekomen.

Read more

Cyberbeveiligingswet sinds 15 augustus 2026: wanneer uw holding en dochters meetellen bij de grens van 50 fte en 10 miljoen euro

Of uw bedrijf onder de Cyberbeveiligingswet valt, hangt sinds 15 augustus 2026 af van uw sector en van uw omvang. Voor die omvang verwijzen artikel 8 en artikel 12 van de wet naar de mkb-definitie van de Europese Commissie uit 2003: wie 50 of meer fte heeft, of met minder dan 50 fte zowel een jaaromzet als een balanstotaal boven 10 miljoen euro, is groot genoeg en valt binnen de sectoren van bijlage 1 en 2 onder de wet; wie daaronder blijft, valt er alleen onder als zijn soort dienst zonder omvangseis is aangewezen. Veel ondernemers rekenen die toets met de cijfers van hun eigen werkmaatschappij. Dat is de fout die dit artikel uitlegt.

Wanneer uw holding, uw dochter en een ander bedrijf van dezelfde eigenaar meetellen: artikel 3 en artikel 6 van de bijlage

De bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG onderscheidt zelfstandige, partner- en verbonden ondernemingen. Een partner houdt 25 procent of meer van kapitaal of stemrechten; een verbonden onderneming heeft een meerderheids- of zeggenschapsband, ook als die via dezelfde natuurlijke persoon loopt en de bedrijven op dezelfde of een verwante markt actief zijn. Artikel 6 zegt hoe u rekent: partners naar rato erbij, verbonden ondernemingen voor 100 procent. Het NCSC zegt het in één zin op zijn reikwijdtepagina: tel ook partner- en verbonden ondernemingen mee bij medewerkers, jaaromzet en balanstotaal. Een installatiebedrijf met 38 eigen fte en een zuster met 25 fte waarin de holding 60 procent houdt, komt zo op 63 fte en boven de grens uit.

Hoe u de toets deze maand zelf doet en vastlegt: vijf stappen

Het artikel loopt ook langs wat de Cyberbeveiligingswet uit de aanbeveling schrapt, namelijk de regel dat een onderneming met een overheidsaandeelhouder van 25 procent of meer niet als mkb kan gelden, en wat zij laat staan: de referentieperiode van het laatste afgesloten boekjaar en de regel dat een drempel pas na twee opeenvolgende boekjaren telt. Daarna volgen vijf stappen om de omvangstoets te doen en met datum vast te leggen: de structuur tekenen, elke lijn kwalificeren, rekenen volgens artikel 6, de RDI-zelfevaluatie invullen met de opgetelde cijfers, en de uitkomst bewaren.

Wat er verandert als de toets "ja" zegt: registratie, zorgplicht en uw eigen leveranciers

Is het antwoord "ja", dan gelden drie plichten tegelijk: registratie bij het NCSC, de zorgplicht van artikel 21 Cyberbeveiligingswet zoals het Cyberbeveiligingsbesluit die uitwerkt, en de meldplicht voor significante incidenten van artikel 25 en volgende. Onderdeel van die zorgplicht is het beheersen van de beveiligingsrisico's in uw eigen toeleveringsketen onder artikel 10 van dat besluit, met de acceptatietest uit het artikel over artikel 7:17 BW als praktisch hulpmiddel. Is het antwoord "nee", dan bereikt de wet u zoals op 20 augustus beschreven via de contracten van klanten die er wél onder vallen.

Read more

Wanneer is een AI-systeem geleverd? Artikel 7:17 BW, het arrest De Beeldbrigade van 27 april 2012 en de acceptatietest die u zelf schrijft

Een AI-systeem wordt zelden op één dag geleverd. Er is een demo, een pilot, een koppeling met uw eigen data, een periode waarin het "nog leert", en ergens in die maanden een factuur. Wie later vindt dat het systeem niet doet wat is beloofd, krijgt van de leverancier de vraag terug: wat was er dan precies beloofd, en wanneer heeft u geaccepteerd? Dit artikel legt uit welke wettelijke lat daarvoor geldt en hoe u met één document, de acceptatietest, die discussie vóór de handtekening beslecht.

Wat de Hoge Raad in 2012 besliste over software die u koopt

In het arrest De Beeldbrigade/Hulskamp van 27 april 2012 oordeelde de Hoge Raad dat de aanschaf van standaardsoftware voor onbepaalde duur tegen betaling van een bedrag ineens onder de kooptitel van Boek 7 BW valt, ongeacht of de software op een drager of via download wordt geleverd. Daarmee gelden de regels over conformiteit van artikel 7:17 BW: de afgeleverde zaak moet aan de overeenkomst beantwoorden en bezit de eigenschappen die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. Bij koop van software is conformiteit de wettelijke lat, en die lat wordt gevuld door wat u mocht verwachten. Voor een AI-systeem dat als abonnement of als dienst wordt afgenomen, ligt de kwalificatie anders, maar de vraag blijft dezelfde: wat mocht u verwachten, en waar staat dat?

Waarom de acceptatietest het antwoord is dat u zelf schrijft

Een AI-systeem kan variabele uitkomsten geven. Het levert een percentage juiste antwoorden, een gemiddelde doorlooptijd, een aantal fouten per honderd documenten. Verwachtingen die niet in getallen staan, zijn na levering moeilijk te bewijzen. Het artikel laat zien hoe u de verwachting vooraf vastlegt in een acceptatietest met eigen data, meetbare drempels, een testperiode en een acceptatiemoment, en hoe die test doorwerkt in de conformiteitsvraag, in de garantie en in uw recht om te ontbinden. Een acceptatietest maakt van "het werkt niet goed" een meetbare tekortkoming. Het sluit af met de vijf onderdelen die in elke acceptatiebijlage horen, en met de contractscan van JAVB voor wie een leverancierscontract voorgelegd krijgt.

Read more