Een bedrijfswagenwerkplaats in Tilburg vervangt in september de aandrijfunit en twee wiellagers van een elektrische bestelbus. De bus rijdt voor een bakkerij met zes filialen. De rekening bedraagt € 8.400, met een betaaltermijn van veertien dagen. Na vier weken is er nog niet betaald, en de eigenaar van de werkplaats laat de bus op het terrein staan. Twee dagen later belt de leasemaatschappij: de bus is van haar, de bakkerij is alleen lessee, en zij wil het voertuig vandaag ophalen. Het voorbeeld is fictief, de vraag komt in de praktijk vaak voor: mag een reparateur een zaak vasthouden tot de rekening betaald is, ook als de eigenaar iemand anders is dan de klant?

Het Burgerlijk Wetboek geeft daarvoor een eigen instrument, het retentierecht. Op deze site schreven we eerder over het opschortingsrecht wanneer een zakelijke klant een termijn niet betaalt. Retentierecht is de variant daarvan voor de situatie waarin u iets moet teruggeven: een machine, een voertuig, een partij goederen die u heeft bewerkt of opgeslagen. Dit artikel loopt na wat de wet u toestaat, tegen wie u het recht kunt inroepen, en hoe u het verliest.
Wat artikel 3:290 BW de reparateur geeft: de bus blijft staan tot de factuur betaald is
Volgens artikel 3:290 BW is retentierecht "de bevoegdheid die in de bij de wet aangegeven gevallen aan een schuldeiser toekomt, om de nakoming van een verplichting tot afgifte van een zaak aan zijn schuldenaar op te schorten totdat de vordering wordt voldaan". De belangrijkste wettelijke grondslag is het algemene opschortingsrecht van artikel 6:52 BW: wie een opeisbare vordering heeft, mag zijn eigen prestatie opschorten als er voldoende samenhang bestaat tussen die vordering en zijn verplichting. Artikel 6:57 BW verbindt beide regelingen. Gaat het om de afgifte van een zaak, dan geldt het retentierecht uit Boek 3, en daarnaast de regels van de opschortingsafdeling in Boek 6, voor zover Boek 3 daar niet van afwijkt.
Voor de werkplaats in Tilburg is de samenhang eenvoudig. De vordering van € 8.400 komt voort uit de reparatie van precies deze bus. Lastiger wordt het als de werkplaats de bus ook wil vasthouden voor een oude, onbetaalde rekening voor een andere wagen van dezelfde bakkerij. Artikel 6:52 lid 2 BW noemt samenhang mogelijk "ingeval de verbintenissen over en weer voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding of uit zaken die partijen regelmatig met elkaar hebben gedaan". Bij een vaste onderhoudsrelatie met een hele vloot kan dat dus, maar het is een afweging die de rechter achteraf maakt. Artikel 3:293 BW voegt eraan toe dat u het recht ook mag uitoefenen voor de kosten die u maakt voor de zorg die u wettelijk voor de zaak moet dragen, zoals het veilig stallen van de bus terwijl u op betaling wacht.
Wanneer de leasemaatschappij of de bank de zaak opeist: artikel 3:291 lid 1 en lid 2 BW
Het retentierecht werkt tegen de klant, maar de vraag in het voorbeeld is of het ook werkt tegen de eigenaar. Artikel 3:291 BW maakt een onderscheid naar het moment waarop de derde zijn recht kreeg. Volgens lid 1 kunt u het retentierecht inroepen tegen derden die hun recht op de zaak verkregen nadat uw vordering ontstond en de zaak bij u stond. Verkoopt de bakkerij de bus tijdens de reparatie aan een ander, dan kan de koper de bus niet ophalen zonder te betalen.
De leasemaatschappij was er eerder. Voor zo'n derde met een ouder recht geldt lid 2: u kunt het retentierecht ook tegen haar inroepen "indien zijn vordering voortspruit uit een overeenkomst die de schuldenaar bevoegd was met betrekking tot de zaak aan te gaan, of hij geen reden had om aan de bevoegdheid van de schuldenaar te twijfelen". Daar ligt de kern van het geschil. Veel leasecontracten verplichten de lessee om het voertuig te laten onderhouden en repareren. Dan was de bakkerij bevoegd om de werkplaats opdracht te geven, en kan de werkplaats de bus tegenover de leasemaatschappij vasthouden. Schrijft het leasecontract voor dat reparaties boven een bepaald bedrag vooraf door de lessor worden goedgekeurd, en weet de werkplaats dat, dan wordt het moeilijk om vol te houden dat er geen reden was om aan de bevoegdheid te twijfelen. Hetzelfde speelt bij machines die onder eigendomsvoorbehoud van een leverancier staan of al eerder aan een bank verpand waren.
Artikel 3:292 BW geeft de retentor daarnaast voorrang: hij kan zijn vordering op de zaak verhalen "met voorrang boven allen tegen wie het retentierecht kan worden ingeroepen". Voor het vasthouden heeft u geen rechter nodig. Wilt u de bus laten verkopen om uw vordering te innen, dan heeft u in de regel eerst een vonnis tegen de klant nodig.
Faillissement van de klant: wat artikel 60 Faillissementswet de curator en de reparateur toestaat
Gaat de klant failliet, dan blijft het retentierecht bestaan. Artikel 60 lid 1 Faillissementswet bepaalt dat de schuldeiser met retentierecht op een zaak die aan de schuldenaar toebehoort, dat recht "niet door de faillietverklaring" verliest. De curator heeft dan twee wegen. Hij kan de zaak opeisen en verkopen, met behoud van uw voorrang, of hij kan de zaak terugbrengen in de boedel door uw vordering te voldoen. Doet hij niets, dan kunt u hem volgens lid 3 een redelijke termijn stellen; verkoopt hij niet binnen die termijn, dan mag u de zaak zelf verkopen volgens de regels voor parate executie door een pandhouder. De rechter-commissaris kan die termijn op verzoek van de curator wel verlengen.
Let op de woorden "aan de schuldenaar toebehorende zaak". De geleasede bus is niet van de bakkerij. Gaat de bakkerij failliet, dan valt de bus buiten de boedel. Het geschil speelt zich dan af tussen werkplaats en leasemaatschappij, met de toets van artikel 3:291 lid 2 BW die hierboven staat.
Hoe u het retentierecht verliest: afgifte op goed vertrouwen en artikel 3:294 BW
Het recht bestaat zolang u de zaak in uw macht heeft. Artikel 3:294 BW bepaalt dat het retentierecht eindigt zodra de zaak in de macht komt van de schuldenaar of de rechthebbende, "tenzij de schuldeiser haar weer uit hoofde van dezelfde rechtsverhouding onder zich krijgt". Geeft u de bus mee omdat de bakkerij belooft vrijdag te betalen, dan is uw zekerheid weg. Komt de bus een maand later terug voor een nieuwe reparatie, dan herleeft het recht voor de oude rekening niet automatisch. Raakt de zaak buiten uw wil uit uw macht, bijvoorbeeld omdat iemand de bus 's nachts met een reservesleutel ophaalt, dan kunt u haar volgens artikel 3:295 BW opeisen onder dezelfde voorwaarden als een eigenaar.
Twee praktische punten volgen daaruit. Bewaar de zaak zoals een zorgvuldige schuldenaar dat zou doen, want schade door slordige stalling komt voor uw rekening. En gebruik het recht met mate: houdt u een bus van tienduizenden euro's vast voor een geschil over een rekening van een paar honderd euro, dan loopt u het risico dat een rechter dat in de gegeven omstandigheden onredelijk vindt. Voor een harde aanpak van de vordering zelf is de route van incassokosten en handelsrente vaak een betere aanvulling.
Zes controles voor werkplaatsen, installateurs en opslagbedrijven
- Opdrachtbevestiging: leg vast wie de opdrachtgever is en, bij geleasede of gefinancierde zaken, wie de eigenaar is.
- Bevoegdheid: vraag bij een grote reparatie aan een leaseobject of de lessee zelf opdracht mag geven, of laat de leasemaatschappij vooraf akkoord geven.
- Betaling vóór afgifte: zet in uw algemene voorwaarden en op de werkorder dat de zaak pas na betaling wordt meegegeven.
- Samenhang: houd bij vaste klanten bij welke opdrachten bij dezelfde relatie horen, zodat u een beroep op artikel 6:52 lid 2 BW kunt onderbouwen.
- Stalling: noteer datum, plaats en staat van de zaak, en houd de kosten van zorg apart bij.
- Faillissement: is de zaak van de failliete klant zelf, stel de curator dan schriftelijk een redelijke termijn zodra u van het faillissement hoort. Is zij van een lessor of andere eigenaar, dan bespreekt u de afgifte met die eigenaar.
Wilt u weten of uw eigen werkorders, algemene voorwaarden of onderhoudscontracten dit goed geregeld hebben? Laat ze dan rustig door onze contractscan lopen. Dan ziet u in een paar minuten of er een betaling-vóór-afgifte-regel in staat, wie als opdrachtgever genoemd wordt en welke zin u nog kunt aanscherpen voordat de volgende onbetaalde machine op uw terrein staat.
Bronnen: Burgerlijk Wetboek Boek 3, artikelen 3:290 tot en met 3:295; Burgerlijk Wetboek Boek 6, artikelen 6:52 en 6:57; Faillissementswet, artikel 60. Wetteksten geraadpleegd op 21 oktober 2026. Het voorbeeld van de werkplaats, de bakkerij en de leasemaatschappij is fictief.