Algemene voorwaarden alleen via een link op uw website: wanneer een zakelijke klant uw aansprakelijkheidsbeperking kan vernietigen onder artikel 6:233, 6:234 en 6:235 BW

Een installatiebedrijf plaatst een warmtepomp op het dak van een familiehotel en verwijst in de offerte naar "onze algemene voorwaarden, te vinden op onze website". Als de installatie in de winter uitvalt en het hotel € 38.000 schadevergoeding vraagt, beroept de installateur zich op zijn aansprakelijkheidsbeperking. Het hotel antwoordt dat het beding vernietigbaar is, omdat de voorwaarden nooit zijn overhandigd. Het voorbeeld is fictief, maar het probleem komt in het mkb veel voor.

Wat de wet vraagt bij het verstrekken van algemene voorwaarden

Artikel 6:233 onder b BW maakt een beding vernietigbaar als de klant geen redelijke mogelijkheid had om van de voorwaarden kennis te nemen. Artikel 6:234 BW werkt dat uit: de hoofdregel is dat u de voorwaarden vóór of bij het sluiten van de overeenkomst ter hand stelt. Bij een overeenkomst die elektronisch tot stand komt, mag u ze ook elektronisch beschikbaar stellen, mits de klant ze kan opslaan en later kan raadplegen. De Hoge Raad oordeelde in Geurtzen/Kampstaal (1 oktober 1999) dat terhandstelling de norm is, en in First Data/Attingo (11 februari 2011) dat de mogelijkheid om de voorwaarden zelf op internet te zoeken niet genoeg is. De gebruiker moet het initiatief nemen. Voor dienstverrichters, zoals een installateur, kan volgens de Hoge Raad (2 juni 2023) ook een verwijzing naar een meegedeeld webadres volstaan, als de voorwaarden daar zonder noemenswaardige inspanning te vinden zijn. Een vage verwijzing naar "onze website" blijft dan kwetsbaar.

Welke zakelijke klanten zich niet op vernietiging kunnen beroepen

Artikel 6:235 BW beperkt de bescherming tot kleinere wederpartijen. Een bv of nv die haar laatste jaarrekening openbaar heeft gemaakt (of de groepsvrijstelling van artikel 2:403 toepaste), en een onderneming met vijftig of meer medewerkers, kunnen zich niet op deze vernietigingsgronden beroepen. Het familiehotel uit het voorbeeld is een vof met achttien medewerkers en kan dat wel. Kijk daarom bij elke nieuwe klant in het Handelsregister welke rechtsvorm hij heeft.

Waarom het probleem pas jaren later opduikt

De verjaringstermijn voor een vordering tot vernietiging gaat volgens artikel 6:235 lid 4 BW pas lopen op de dag nadat u zich op het beding hebt beroepen, en in een procedure kan de klant de vernietigingsgrond bovendien altijd als verweer gebruiken. Een fout bij het verstrekken van de voorwaarden in een offerte kan daardoor jaren later uw belangrijkste verweer kosten, juist bij een flinke aansprakelijkheidsbeperking. In het volledige artikel leest u hoe de rechtspraak de uitzonderingen afbakent en welke vijf controles u in uw offerte, orderbevestiging en webshop kunt inbouwen.

Read more

Uw prototype uitlenen aan een afnemer of distributeur: wat artikel 3 Wet bescherming bedrijfsgeheimen toestaat aan demontage en reverse engineering, en wat uw NDA daarom moet regelen

Een motorenbouwer uit Helmond leent drie prototypes van een nieuwe middenmotor voor elektrische bakfietsen uit aan een fietsfabrikant die de motor wil testen. Beide partijen tekenen een standaard-NDA over "vertrouwelijke informatie". De motoren komen terug, één behuizing is geopend geweest, en een half jaar later brengt de fabrikant een eigen motor uit met een vergelijkbare tandwieloverbrenging. Kan de motorenbouwer iets doen? De gebruiksbeperking in de NDA kan concurrerend gebruik al in de weg staan, afhankelijk van de uitleg van het contract. Veel sterker staat hij met een bepaling die in veel NDA's ontbreekt: een verbod op demontage en reverse engineering.

Wat de Wet bescherming bedrijfsgeheimen toestaat

De Wet bescherming bedrijfsgeheimen geldt sinds 23 oktober 2018. Artikel 3 lid 1 sub b bepaalt dat het verkrijgen van een bedrijfsgeheim door observatie, onderzoek, demontage of testen van een product niet onrechtmatig is als de verwerver het product rechtmatig bezit en niet gebonden is aan een rechtsgeldige verplichting om dat verkrijgen te beperken. Wie een prototype netjes in bruikleen heeft gekregen zonder contractueel verbod, mag het dus openschroeven en opmeten. Of hij die kennis daarna voor een eigen product mag gebruiken, hangt af van de gebruiksbeperking in de NDA. Ook een onafhankelijk eigen ontwerp is toegestaan.

Wat uw NDA daarom moet regelen

Een NDA die alleen over verstrekte informatie gaat, dekt het fysieke product vaak niet. Een demontageverbod is een rechtsgeldige beperking van het verkrijgen, waardoor de uitzondering van artikel 3 niet meer opgaat. Voor het gebruik daarna geldt artikel 2 lid 2 Wbb: gebruik van een bedrijfsgeheim is onrechtmatig bij inbreuk op een geheimhoudingsovereenkomst of op een contractuele beperking van het gebruik. Een helder verbod op openen, demonteren, scannen en analyseren, gecombineerd met de afspraak dat het prototype uw eigendom blijft, een vaste teruggavedatum en een boete per overtreding, geeft de rechter iets om op te bouwen. Bij een voorlopig verbod onder artikel 5 en de maatregelen van artikel 6 Wbb weegt de rechter bovendien mee welke maatregelen de houder zelf nam.

Octrooi en het moment van tonen

Wie de techniek wil octrooieren, moet ook op artikel 4 Rijksoctrooiwet 1995 letten. Wat vóór de aanvraag openbaar toegankelijk is gemaakt, ook door toepassing, behoort tot de stand van de techniek. Een prototype zonder geheimhoudingsafspraak meegeven kan de nieuwheid van een latere aanvraag schaden. In het artikel vindt u zes bepalingen voor een evaluatieovereenkomst bij een prototype.

Read more

Uw zakelijke klant betaalt een termijn niet: wanneer u mag stoppen met leveren onder het opschortingsrecht van artikel 6:52, 6:262 en 6:263 BW

Een machinebouwer levert een flowpack-verpakkingsmachine van 240.000 euro aan een koekjesfabriek. De eerste termijn is betaald, maar de factuur van 120.000 euro voor de tweede termijn blijft liggen. De fabriek meldt dat de sealbekken lekken en wil pas betalen als alles werkt; de monteurs van de machinebouwer stoppen met inregelen. Beide partijen beroepen zich op hetzelfde middel: het opschortingsrecht van artikel 6:262 BW. Wie heeft gelijk, en hoeveel mag ieder inhouden?

Wat de wet toestaat als de ander niet betaalt of gebrekkig levert

Komt een partij bij een wederkerige overeenkomst haar verbintenis niet na, dan mag de wederpartij haar eigen prestatie opschorten. Bij een gedeeltelijke of niet behoorlijke nakoming mag dat alleen voor zover de tekortkoming de opschorting rechtvaardigt. Hoeveel de fabriek mag inhouden, hangt af van de ernst van het gebrek. De herstelkosten zijn daarbij niet doorslaggevend: ook de bruikbaarheid van de machine en de druk om herstel af te dwingen bepalen of volledige inhouding gerechtvaardigd is. De machinebouwer kan alleen opschorten voor het deel dat de fabriek ten onrechte inhoudt. Wie eerst moet presteren, kan onder artikel 6:263 BW toch opschorten als na het sluiten van het contract feiten bekend worden die goede grond geven te vrezen dat de klant niet zal betalen. Het algemene opschortingsrecht van artikel 6:52 BW reikt verder, tot verbintenissen die voldoende samenhangen, bijvoorbeeld uit zaken die partijen regelmatig met elkaar doen.

Waar het opschortingsrecht stopt

Wie de wederpartij zelf verhindert na te komen, bijvoorbeeld door monteurs geen toegang te geven, mag niet opschorten (artikel 6:54 onder a BW). Zekerheidstelling beëindigt een opschorting onder 6:52, tenzij de voldoening daardoor onredelijk wordt vertraagd; volgens artikel 6:264 BW geldt die regel niet voor opschorting onder 6:262 en 6:263. Een beding in algemene voorwaarden dat de afnemer opschorting ontzegt, staat tegenover consumenten op de zwarte lijst; tussen bedrijven is het in beginsel geldig, onder toetsing aan de redelijkheid. En wie te ruim of ten onrechte opschort, schiet zelf tekort.

In het artikel leest u hoe de zaak van de koekjesfabriek afloopt, hoe het retentierecht van artikel 3:290 BW werkt voor zaken van de klant in uw werkplaats, en welk schema voor een rechtmatige opschorting u helpt om stil te leggen zonder zelf in verzuim te raken.

Read more

Uw adviseur levert een rapport af dat deels met AI is geschreven: persoonlijke uitvoering onder artikel 7:404 BW, de zorgplicht van 7:401 en aansprakelijkheid onder 6:77 BW

Een groothandel betaalt een adviesbureau 18.000 euro voor een rapport over het uitbesteden van de bezorging. Een controller zoekt één van de aangehaalde uitspraken op en vindt hem niet; ook een genoemd brancheonderzoek blijkt niet te bestaan. Het bureau zegt dat een deel van de tekst met een AI-tool is gemaakt. Wat mag de groothandel dan verlangen, en wie draagt de schade? Dit artikel bespreekt de zorgplicht van de opdrachtnemer in artikel 7:401 BW, de regel over persoonlijke uitvoering in artikel 7:404 BW en de aansprakelijkheid voor hulppersonen en hulpmiddelen in de artikelen 6:76 en 6:77 BW.

Deloitte, oktober 2025, en de maatstaf van artikel 7:401 BW

In oktober 2025 meldde The Guardian dat Deloitte een deel van de vergoeding voor een rapport van 440.000 Australische dollar zou terugbetalen aan het Australische ministerie van Werkgelegenheid, nadat er meerdere fouten in waren gevonden. In de herziene versie vermeldde Deloitte dat een deel was gemaakt met een toolketen op basis van GPT-4o. Naar Nederlands recht is een adviesopdracht een overeenkomst van opdracht. De wet verbiedt geen hulpmiddelen. De adviseur moet wel werken als een redelijk bekwame en redelijk handelende vakgenoot, en die controleert of een bron bestaat voordat hij hem citeert. Artikel 7:403 lid 2 BW geeft u bovendien het recht op verantwoording over de werkwijze.

Persoonlijke uitvoering, hulpmiddelen en afspraken vooraf

Is de opdracht gegeven met het oog op een bepaalde deskundige, dan moet die het werk volgens artikel 7:404 BW zelf doen, tenzij uit de opdracht volgt dat hij het onder zijn verantwoordelijkheid door anderen mag laten uitvoeren. Of dat ook voor een taalmodel geldt, zegt de wet niet. Voor fouten van ingeschakelde freelancers staat het bureau in (artikel 6:76 BW). Of artikel 6:77 BW ook op software van toepassing is, staat ter discussie; via de zorgplicht en artikel 6:75 BW komt een fout van het hulpmiddel doorgaans toch voor rekening van het bureau. Het artikel sluit af met een lijst van zes punten voor de opdrachtbevestiging: melding van AI-gebruik, menselijke controle van bronnen en cijfers, met naam genoemde adviseurs, vertrouwelijkheid van uw gegevens, verantwoording op verzoek en een aansprakelijkheidsbeperking die niet geldt voor ongecontroleerde AI-tekst.

Read more

Klantenvergoeding voor de handelsagent onder artikel 7:442 BW: wanneer de principaal betaalt, het plafond van één jaarbeloning en de vervaltermijn van een jaar

Een fabrikant werkt jaren met een zelfstandige vertegenwoordiger die installateurs en showrooms bezoekt, orders binnenbrengt en daarover provisie krijgt. Dan zegt de fabrikant op en bestellen de klanten rechtstreeks door. Voor die situatie kent het Burgerlijk Wetboek de klantenvergoeding van artikel 7:442 BW. Dit artikel legt uit wanneer die vergoeding verschuldigd is, hoe hoog ze maximaal is, welke opzegtermijn geldt en welke contractbepalingen de wet opzij zet.

Opzegtermijn van artikel 7:437 BW en de voorwaarden van artikel 7:442 BW

Is in het agentuurcontract niets afgesproken, dan geldt een opzegtermijn van vier maanden, vijf maanden na drie jaar en zes maanden na zes jaar. Partijen mogen niet onder een, twee of drie maanden gaan, en de termijn voor de principaal mag niet korter zijn dan die voor de agent. De klantenvergoeding is verschuldigd als de agent nieuwe klanten aanbracht of de omzet met bestaande klanten aanmerkelijk uitbreidde, die klanten de principaal nog aanzienlijke voordelen opleveren en een vergoeding billijk is. Zegt de agent zelf op zonder rechtvaardiging, of beëindigt de principaal om een dringende reden die de agent te verwijten is, dan vervalt de aanspraak. Een agent die stopt vanwege leeftijd, invaliditeit of ziekte behoudt de aanspraak als van hem redelijkerwijs niet meer kan worden gevergd dat hij doorwerkt, mits ook aan de overige voorwaarden is voldaan.

Maximaal één jaarbeloning, en een melding binnen een jaar

De vergoeding bedraagt ten hoogste de beloning van één jaar, berekend naar het gemiddelde van de laatste vijf jaren. Bij 40.000, 52.000, 61.000, 58.000 en 49.000 euro ligt het plafond op 52.000 euro; de rechter kan lager uitkomen. De agent moet de principaal uiterlijk een jaar na het einde laten weten dat hij vergoeding verlangt, anders vervalt het recht.

Afstandsclausules en het concurrentiebeding van artikel 7:443 BW

Een contractbepaling die de vergoeding vooraf uitsluit of verlaagt, werkt niet ten nadele van de agent; na het einde kunnen partijen wel een regeling treffen. Een concurrentiebeding moet schriftelijk zijn, beperkt tot het soort producten en het toevertrouwde gebied (eventueel met de klantenkring daarin), en geldt hoogstens twee jaar. Het volledige artikel bevat een rekenvoorbeeld, een vergelijking met de goodwill bij de koop van een onderneming en zes punten om in uw eigen agentuurcontract na te lopen.

Read more

Contractuele boete matigen onder artikel 6:94 BW: de arresten Intrahof/Bart Smit van 27 april 2007 en Turan/Easystaff van 16 februari 2018, en hoe u uw boetebeding daarop schrijft

Een uitzendbureau sloot een exclusiviteitsovereenkomst met een payrollorganisatie, met een boete van 20.000 euro per overtreding en 5.000 euro per dag. Na overtredingen van nog geen drie maanden vorderde het 1.230.000 euro; het hof wees 21.150 euro toe bij een vastgestelde schade van 5.906,25 euro, en de Hoge Raad liet dat op 16 februari 2018 in stand (Turan/Easystaff). Dit artikel legt uit wat artikel 6:91 tot en met 6:94 BW over het boetebeding regelen, welke maatstaf de Hoge Raad op 27 april 2007 in Intrahof/Bart Smit gaf voor matiging van een contractuele boete, en welke keuzes u bij een boetebeding in een NDA, exclusiviteitsafspraak, leveringscontract of huurovereenkomst maakt om een matigingsverweer zo weinig mogelijk aanknopingspunten te geven.

Wat de wet regelt en wat u niet kunt wegcontracteren

De boete treedt volgens artikel 6:92 lid 2 BW in de plaats van de wettelijke schadevergoeding, tenzij het beding anders zegt; de boete is niet verschuldigd als de tekortkoming niet toerekenbaar is; en voor het opeisen geldt dezelfde aanmaningseis als voor schadevergoeding, tenzij partijen de boete direct opeisbaar maken. Artikel 6:94 lid 1 BW laat de rechter matigen als de billijkheid dat klaarblijkelijk eist, nooit tot onder de wettelijke schadevergoeding, en lid 3 verklaart ieder beding dat die bevoegdheid uitsluit nietig.

De maatstaf van 2007 en de vijf omstandigheden van 2018

In Intrahof/Bart Smit had het hof een huurboete van ruim 100.000 euro gematigd alleen omdat zij ver boven de wettelijke rente uitkwam. De Hoge Raad vernietigde dat: matiging mag pas als toepassing van het beding tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt, en de rechter weegt daarbij ook de aard van de overeenkomst, de inhoud en strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen. In Turan/Easystaff bleef de matiging juist overeind, omdat het hof vijf omstandigheden in samenhang had gewogen: de schuldeiser had het beding opgesteld en het bedrag bepaald zonder onderhandeling, Protec had niet toegelicht waarop de hoge boetebedragen waren gebaseerd, de boete stond in geen verhouding tot de schade, het ging om enkele incidenten aan het begin van de relatie, en de beboete handelingen hadden niet tot verlies van klanten geleid. Die vijf omstandigheden zijn een voorbeeld van wat meeweegt, geen uitputtende lijst.

Zeven onderdelen van een boetebeding, afgeleid uit beide arresten

Uit beide arresten volgt een checklist voor uw boetebeding: verschillende bedragen voor verschillende overtredingen in plaats van één eenheidsboete, een herleidbaar bedrag met een vastgelegde onderbouwing, een dagboete met een plafond, bewijs dat over het beding is onderhandeld, een uitdrukkelijke keuze tussen boete en schadevergoeding, een duidelijke regeling van opeisbaarheid en aanmaning, en een afbakening van overmacht. Wie zelf een boete gepresenteerd krijgt, loopt dezelfde zeven punten in omgekeerde richting langs. Met de contractscan van JAVB ziet u waar uw eigen beding op deze punten kwetsbaar is.

Read more

Een AI-agent logt in met geldige inloggegevens en wijzigt klantdata: de AEPD-melding van 14 september 2026, uw inloggegevensclausule, artikel 32 AVG en de exoneratie in uw SaaS-contract

Op 14 september 2026 berichtte de Spaanse toezichthouder AEPD over de eerste bij haar ingediende melding van een inbreuk waarbij de aanval volgens de melder door een AI-agent werd uitgevoerd. De agent logde met bestaande inloggegevens in, zocht daarna zelfstandig naar zwakke plekken in de applicatie en kon uiteindelijk persoonsgegevens wijzigen en facturen inzien; de AEPD benadrukt dat de melding nog onderzocht moet worden. Stel dat hetzelfde gebeurt bij een Nederlands bedrijf dat zijn klantportaal of administratie bij een SaaS-leverancier afneemt. Wie draagt dan de schade, de klant of de leverancier? Het antwoord staat verspreid over de inloggegevensclausule in de leveranciersvoorwaarden, de beveiligingsplicht van artikel 32 AVG en de exoneratie voor handelen van derden.

Een geldige login en daarna een zoektocht die mogelijk buiten de accountrechten kwam

De clausule dat alles wat via uw account gebeurt voor uw rekening komt, is geschreven voor de eerste fase van zo'n incident: iemand komt met bestaande inloggegevens binnen. Hoe die gegevens bij de aanvaller terechtkwamen, is dan de eerste vraag. De tweede fase vraagt een eigen beoordeling: als de agent daarbij buiten de toegekende accountrechten kwam, benutte hij een gebrek in de applicatie. Onder de uitlegmaatstaf van het arrest Haviltex van 13 maart 1981 wegen de tekst van de clausule, het overeengekomen beveiligingsniveau, het accountbeheer door de klant en het oorzakelijk verband mee; een wachtwoordclausule pleit er in de regel niet voor dat de klant ook kwetsbaarheden in de code van de leverancier draagt.

Artikel 32 AVG, artikel 33 AVG en de exoneratie voor handelen van derden

De AEPD verbindt vier gevolgen aan de melding: AI-aanvallen horen uitdrukkelijk in de risicoanalyse, reactietijden moeten opnieuw worden bekeken, API-sleutels en tokens met te ruime rechten worden het zwakke punt, en detectie kan niet alleen op handmatig ingrijpen rusten. Die vier punten zijn een signaal van een toezichthouder, geen Nederlandse norm, maar zij horen als afspraken in de beveiligingsbijlage die artikel 28 lid 3 onder c AVG naast artikel 32 AVG van uw verwerkersovereenkomst verlangt. Een ongeoorloofde wijziging van gegevens door een beveiligingsinbreuk is een inbreuk in de zin van artikel 4 onder 12 AVG, ook zonder dat er iets naar buiten lekt; uw leverancier informeert u zonder onredelijke vertraging en u meldt waar mogelijk binnen 72 uur na kennisneming, tenzij een risico voor betrokkenen onwaarschijnlijk is. Een exoneratie voor handelen van derden neemt een kwetsbaarheid in de eigen applicatie van de leverancier niet zonder meer weg: artikel 6:75 BW rekent zo'n tekortkoming in de regel aan hem toe, afhankelijk van het contract, de beveiligingsafspraken en de omstandigheden, en artikel 6:248 lid 2 BW begrenst het beroep op de uitsluiting.

Vijf vragen aan uw leverancierscontract

Het artikel sluit af met vijf vragen: waar de inloggegevensclausule eindigt, of de beveiligingsbijlage een norm en het principe van minimale rechten voor sleutels noemt, of de meldtermijn in uren staat, wie de logbestanden bewaart die de twee fasen van een aanval uit elkaar houden, en of de exoneratie een uitzondering maakt voor gebreken in de eigen applicatie. Met de contractscan van JAVB loopt u die vijf punten in uw eigen contract na.

Read more

Incassokosten en handelsrente bij een zakelijke wanbetaler: de staffel van 27 maart 2012, de 10,40 procent van dit halfjaar en het arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2015 over uw incassobeding

Een zakelijke klant betaalt een factuur van 12.000 euro niet. Wat u daar wettelijk bovenop mag rekenen, staat op drie plekken: artikel 6:96 BW met het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van 27 maart 2012, en de artikelen 6:119a en 6:120 BW over de wettelijke handelsrente. Voor het tweede halfjaar van 2026 komt dat uit op 895 euro aan incassokosten en 10,40 procent rente per jaar, gemiddeld 104 euro per maand. Beide bedragen gelden zonder dat u er iets over heeft afgesproken; de rente loopt vanzelf, de volledige staffel vraagt eerst een aanmaning.

De staffel van het Besluit en het minimum van 40 euro bij handelsovereenkomsten

Het Besluit rekent 15 procent over de eerste 2.500 euro van de hoofdsom, daarna 10, 5, 1 en 0,5 procent over de volgende tranches, met een plafond van 6.775 euro. Bij een handelsovereenkomst is volgens artikel 6:96 lid 4 BW ten minste 40 euro verschuldigd zonder aanmaning, vanaf de dag na de uiterste betaaldag, en daarvan mag niet ten nadele van de schuldeiser worden afgeweken. De veertiendagenbrief geldt alleen voor consumenten; een bv of een zakelijk inkopende eenmanszaak heeft daar geen recht op.

Handelsrente van 10,40 procent en het arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2015

De handelsrente is de ECB-herfinancieringsrente vóór het begin van het halfjaar plus acht procentpunten. Met de ECB-stand van 2,40 procent sinds 17 juni 2026 is dat 10,40 procent voor het halfjaar dat op 1 juli 2026 begon; de verhoging naar 2,65 procent per 16 september 2026 werkt pas op 1 januari 2027 door. De rente loopt van rechtswege, zonder ingebrekestelling. Veel algemene voorwaarden bevatten daarnaast een eigen incassobeding van 15 procent. De Hoge Raad besliste op 10 juli 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1868) dat zo'n beding tussen ondernemingen geldig is, maar dat de rechter het ambtshalve kan matigen tot het staffelbedrag, tenzij de schuldeiser stelt en aannemelijk maakt dat zijn werkelijke kosten hoger en redelijk waren.

Artikel 6:44 BW en de deelbetaling die het dossier niet sluit

Hetzelfde arrest bevestigt dat incassokosten onder artikel 6:44 lid 1 BW vallen: een betaling wordt eerst op de kosten, dan op de rente en pas daarna op de hoofdsom toegerekend. De klant die na een sommatie precies de hoofdsom overmaakt, laat daarmee een deel van de hoofdsom openstaan waarover de rente doorloopt. Het artikel sluit af met vijf dingen die u vóór de eerste aanmaning vastlegt, van de uiterste betaaldag en het ontvangstbewijs van de factuur tot de schriftelijke toerekening van elke deelbetaling.

Read more

Vanaf 9 december 2026 is software een product: Richtlijn (EU) 2024/2853, wetsvoorstel 36906 en waarom uw exoneratieclausule de claim niet meer tegenhoudt

Op 9 september 2026 is wetsvoorstel 36906 aangemeld voor plenaire behandeling in de Tweede Kamer. Dat voorstel zet Richtlijn (EU) 2024/2853 om in het Burgerlijk Wetboek, en de Europese omzettingstermijn loopt af op 9 december 2026. Vanaf die datum geldt voor alles wat daarna in de handel wordt gebracht een nieuw regime, waarin software volgens artikel 4 uitdrukkelijk een product is. Voor softwarebedrijven, machinebouwers met firmware, importeurs en integratiepartijen is dat geen detail: het is een risicoaansprakelijkheid die buiten het contract om loopt.

Waarom de exoneratie in uw voorwaarden hier niets doet

Artikel 15 van de richtlijn verbiedt beperking of uitsluiting van de aansprakelijkheid jegens de benadeelde. Geen aansprakelijkheidsplafond, geen uitsluiting van gevolgschade, geen beperking tot twaalf maanden contractwaarde. Die bedingen blijven werken tussen contractspartijen en raken de vordering van de benadeelde niet. Wat vanaf december het werk moet doen, is de vrijwaring voor aanspraken van derden: de afspraak die bepaalt wie in de keten uiteindelijk betaalt. In veel Nederlandse leveringsvoorwaarden staat een uitvoerige exoneratie en geen woord over vrijwaring. De schade die onder de richtlijn valt is wel begrensd — letsel, zaakschade en dataverlies in de privésfeer, niet de bedrijfsschade van uw zakelijke klant.

Bewijs, updates en de vraag wanneer u zelf fabrikant wordt

Artikel 9 geeft de rechter de bevoegdheid om afgifte van relevant bewijsmateriaal te bevelen; artikel 10 laat het gebrek vermoeden als die stukken uitblijven. Uw release-administratie, testrapporten en incidentenregister worden daarmee procesdocumenten. Artikel 7 lid 2 rekent het vermogen van een product om na levering te blijven leren mee bij de beoordeling van gebrekkigheid, en artikel 11 lid 2 sluit vrijstelling uit wanneer het gebrek te wijten is aan software, aan updates of aan het ontbreken van beveiligingsupdates. Wie bovendien de software van een ander ingrijpend wijzigt en onder eigen naam levert, geldt op grond van artikel 8 lid 2 zelf als fabrikant voor die wijziging.

Zes vragen vóór 9 december

Het artikel eindigt met zes concrete vragen over uw inkoop- en leveringsvoorwaarden: welke producten software bevatten, wie per onderdeel fabrikant is, of er een vrijwaring tegenover de exoneratie staat, tot wanneer u beveiligingsupdates levert in verhouding tot de vervaltermijn van tien jaar in artikel 17, welke documenten u zou moeten afgeven, en of u per levering kunt aantonen wanneer het product in de handel kwam. Die laatste vraag beslist welk van de twee regimes geldt.

Read more

Een leveranciers- of distributierelatie zonder opzegbepaling opzeggen: zwaarwegende grond, opzegtermijn en schadevergoeding volgens de Hoge Raad van 28 oktober 2011 en 2 februari 2018

Een leveranciers-, distributie- of dienstverleningsrelatie loopt jaren door zonder dat ooit is opgeschreven hoe zij eindigt. Dan komt de brief, met een termijn van een maand. De vraag is zelden of opzeggen mag, want dat mag in beginsel. De vraag is op welke grond, met welke termijn, en of er een vergoeding bij hoort.

De maatstaf van de Hoge Raad uit 2011 en 2018

In De Ronde Venen/Stedin van 28 oktober 2011 besliste de Hoge Raad dat een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd zonder opzegregeling in beginsel opzegbaar is, maar dat de eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat een voldoende zwaarwegende grond nodig is, dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen, of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een schadevergoeding. Auping/Beverslaap bevestigde die lijn in 2013 voor een distributieverhouding. In Goglio/SMQ Europe van 2 februari 2018 kwam daar de andere helft bij: staat er wél een opzegregeling in wet of contract, dan is dat beding het uitgangspunt en kunnen aanvullende eisen alleen worden gesteld voor zover wet en overeenkomst daarvoor ruimte laten. Een uitgeschreven opzegbeding is daarmee aanzienlijk sterker dan geen beding.

Waarom uw jaarrekening de opzegtermijn bepaalt

Rechters wegen de duur van de relatie, de afhankelijkheid, de omzet en vooral de investeringen die alleen binnen deze samenwerking waarde hebben. Daaruit volgt een anker dat zelden wordt gebruikt: de resterende afschrijvingstermijn van de machine, koppeling of certificering die voor deze afnemer is aangeschaft. Die termijn staat al jaren in de boeken, is door een accountant gezien, en zegt hoeveel tijd de opgezegde partij zelf nodig achtte om de investering terug te verdienen.

Agentuur, distributie en zeven vragen vooraf

Bemiddelt de wederpartij tegen provisie op uw naam, dan gelden de dwingende opzegtermijn van artikel 7:437 BW en de klantenvergoeding van artikel 7:442 BW. Koopt zij voor eigen rekening in, dan is het distributie en geldt de open weging. Het artikel geeft zeven vragen die u beantwoordt voordat de opzeggingsbrief de deur uitgaat, en zegt wat u doet als de brief al is verstuurd of juist bij u is binnengekomen.

Read more