Vanaf 9 december 2026 is software een product: Richtlijn (EU) 2024/2853, wetsvoorstel 36906 en waarom uw exoneratieclausule de claim niet meer tegenhoudt

Op 9 september 2026 is wetsvoorstel 36906 aangemeld voor plenaire behandeling in de Tweede Kamer. Dat voorstel zet Richtlijn (EU) 2024/2853 om in het Burgerlijk Wetboek, en de Europese omzettingstermijn loopt af op 9 december 2026. Vanaf die datum geldt voor alles wat daarna in de handel wordt gebracht een nieuw regime, waarin software volgens artikel 4 uitdrukkelijk een product is. Voor softwarebedrijven, machinebouwers met firmware, importeurs en integratiepartijen is dat geen detail: het is een risicoaansprakelijkheid die buiten het contract om loopt.

Waarom de exoneratie in uw voorwaarden hier niets doet

Artikel 15 van de richtlijn verbiedt beperking of uitsluiting van de aansprakelijkheid jegens de benadeelde. Geen aansprakelijkheidsplafond, geen uitsluiting van gevolgschade, geen beperking tot twaalf maanden contractwaarde. Die bedingen blijven werken tussen contractspartijen en raken de vordering van de benadeelde niet. Wat vanaf december het werk moet doen, is de vrijwaring voor aanspraken van derden: de afspraak die bepaalt wie in de keten uiteindelijk betaalt. In veel Nederlandse leveringsvoorwaarden staat een uitvoerige exoneratie en geen woord over vrijwaring. De schade die onder de richtlijn valt is wel begrensd — letsel, zaakschade en dataverlies in de privésfeer, niet de bedrijfsschade van uw zakelijke klant.

Bewijs, updates en de vraag wanneer u zelf fabrikant wordt

Artikel 9 geeft de rechter de bevoegdheid om afgifte van relevant bewijsmateriaal te bevelen; artikel 10 laat het gebrek vermoeden als die stukken uitblijven. Uw release-administratie, testrapporten en incidentenregister worden daarmee procesdocumenten. Artikel 7 lid 2 rekent het vermogen van een product om na levering te blijven leren mee bij de beoordeling van gebrekkigheid, en artikel 11 lid 2 sluit vrijstelling uit wanneer het gebrek te wijten is aan software, aan updates of aan het ontbreken van beveiligingsupdates. Wie bovendien de software van een ander ingrijpend wijzigt en onder eigen naam levert, geldt op grond van artikel 8 lid 2 zelf als fabrikant voor die wijziging.

Zes vragen vóór 9 december

Het artikel eindigt met zes concrete vragen over uw inkoop- en leveringsvoorwaarden: welke producten software bevatten, wie per onderdeel fabrikant is, of er een vrijwaring tegenover de exoneratie staat, tot wanneer u beveiligingsupdates levert in verhouding tot de vervaltermijn van tien jaar in artikel 17, welke documenten u zou moeten afgeven, en of u per levering kunt aantonen wanneer het product in de handel kwam. Die laatste vraag beslist welk van de twee regimes geldt.

Read more

Een leveranciers- of distributierelatie zonder opzegbepaling opzeggen: zwaarwegende grond, opzegtermijn en schadevergoeding volgens de Hoge Raad van 28 oktober 2011 en 2 februari 2018

Een leveranciers-, distributie- of dienstverleningsrelatie loopt jaren door zonder dat ooit is opgeschreven hoe zij eindigt. Dan komt de brief, met een termijn van een maand. De vraag is zelden of opzeggen mag, want dat mag in beginsel. De vraag is op welke grond, met welke termijn, en of er een vergoeding bij hoort.

De maatstaf van de Hoge Raad uit 2011 en 2018

In De Ronde Venen/Stedin van 28 oktober 2011 besliste de Hoge Raad dat een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd zonder opzegregeling in beginsel opzegbaar is, maar dat de eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat een voldoende zwaarwegende grond nodig is, dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen, of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een schadevergoeding. Auping/Beverslaap bevestigde die lijn in 2013 voor een distributieverhouding. In Goglio/SMQ Europe van 2 februari 2018 kwam daar de andere helft bij: staat er wél een opzegregeling in wet of contract, dan is dat beding het uitgangspunt en kunnen aanvullende eisen alleen worden gesteld voor zover wet en overeenkomst daarvoor ruimte laten. Een uitgeschreven opzegbeding is daarmee aanzienlijk sterker dan geen beding.

Waarom uw jaarrekening de opzegtermijn bepaalt

Rechters wegen de duur van de relatie, de afhankelijkheid, de omzet en vooral de investeringen die alleen binnen deze samenwerking waarde hebben. Daaruit volgt een anker dat zelden wordt gebruikt: de resterende afschrijvingstermijn van de machine, koppeling of certificering die voor deze afnemer is aangeschaft. Die termijn staat al jaren in de boeken, is door een accountant gezien, en zegt hoeveel tijd de opgezegde partij zelf nodig achtte om de investering terug te verdienen.

Agentuur, distributie en zeven vragen vooraf

Bemiddelt de wederpartij tegen provisie op uw naam, dan gelden de dwingende opzegtermijn van artikel 7:437 BW en de klantenvergoeding van artikel 7:442 BW. Koopt zij voor eigen rekening in, dan is het distributie en geldt de open weging. Het artikel geeft zeven vragen die u beantwoordt voordat de opzeggingsbrief de deur uitgaat, en zegt wat u doet als de brief al is verstuurd of juist bij u is binnengekomen.

Read more

Wanneer is een AI-systeem geleverd? Artikel 7:17 BW, het arrest De Beeldbrigade van 27 april 2012 en de acceptatietest die u zelf schrijft

Een AI-systeem wordt zelden op één dag geleverd. Er is een demo, een pilot, een koppeling met uw eigen data, een periode waarin het "nog leert", en ergens in die maanden een factuur. Wie later vindt dat het systeem niet doet wat is beloofd, krijgt van de leverancier de vraag terug: wat was er dan precies beloofd, en wanneer heeft u geaccepteerd? Dit artikel legt uit welke wettelijke lat daarvoor geldt en hoe u met één document, de acceptatietest, die discussie vóór de handtekening beslecht.

Wat de Hoge Raad in 2012 besliste over software die u koopt

In het arrest De Beeldbrigade/Hulskamp van 27 april 2012 oordeelde de Hoge Raad dat de aanschaf van standaardsoftware voor onbepaalde duur tegen betaling van een bedrag ineens onder de kooptitel van Boek 7 BW valt, ongeacht of de software op een drager of via download wordt geleverd. Daarmee gelden de regels over conformiteit van artikel 7:17 BW: de afgeleverde zaak moet aan de overeenkomst beantwoorden en bezit de eigenschappen die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. Bij koop van software is conformiteit de wettelijke lat, en die lat wordt gevuld door wat u mocht verwachten. Voor een AI-systeem dat als abonnement of als dienst wordt afgenomen, ligt de kwalificatie anders, maar de vraag blijft dezelfde: wat mocht u verwachten, en waar staat dat?

Waarom de acceptatietest het antwoord is dat u zelf schrijft

Een AI-systeem kan variabele uitkomsten geven. Het levert een percentage juiste antwoorden, een gemiddelde doorlooptijd, een aantal fouten per honderd documenten. Verwachtingen die niet in getallen staan, zijn na levering moeilijk te bewijzen. Het artikel laat zien hoe u de verwachting vooraf vastlegt in een acceptatietest met eigen data, meetbare drempels, een testperiode en een acceptatiemoment, en hoe die test doorwerkt in de conformiteitsvraag, in de garantie en in uw recht om te ontbinden. Een acceptatietest maakt van "het werkt niet goed" een meetbare tekortkoming. Het sluit af met de vijf onderdelen die in elke acceptatiebijlage horen, en met de contractscan van JAVB voor wie een leverancierscontract voorgelegd krijgt.

Read more

AI-tools op de werkvloer en de derde eis van artikel 1 Wbb: welke maatregelen uw bedrijfsgeheim in stand houden

Een accountmanager plakt op dinsdagmiddag de calculatie van vorig jaar, de inkoopprijzen van drie toeleveranciers en een conceptofferte in een gratis chatbot, om te laten controleren of de opbouw klopt. Er wordt niets geforceerd en niets meegenomen. Een jaar later gaat dezelfde afnemer met een concurrent in zee die opvallend dicht bij die prijsopbouw zit, en dan begint het onderzoek bij de eigen onderneming: was die calculatie op dat moment nog een bedrijfsgeheim?

Artikel 1 Wbb stelt drie eisen, en de derde gaat over uw eigen gedrag

De Wet bescherming bedrijfsgeheimen van 17 oktober 2018, in werking op 23 oktober 2018 ter uitvoering van Richtlijn (EU) 2016/943, noemt drie cumulatieve voorwaarden. De informatie moet geheim zijn, zij moet handelswaarde bezitten omdat zij geheim is, en zij moet door de rechtmatige houder zijn onderworpen aan redelijke maatregelen, gezien de omstandigheden, om haar geheim te houden. De eerste twee eisen zijn eigenschappen van de informatie. De derde is een redelijkheidstoets over uw eigen handelen: de rechter weegt het samenstel van maatregelen en hun feitelijke werking, gezien de omstandigheden. Eén ongeoorloofde invoer beëindigt de bescherming dus niet automatisch, al kan een patroon van ongecontroleerde verspreiding het samenstel wel onderuithalen. Daarin verschilt een bedrijfsgeheim van een octrooi of een merk, waar de aanspraak in een register vastligt en slordigheid overleeft; hier moet de houder de bescherming blijven onderhouden. De vergelijking met een preventieve garantie in een verzekeringspolis gaat maar ten dele op, en wijst vooral de richting waarin de bewijslast loopt: het gaat om wat er in de organisatie feitelijk gebeurde.

Waarom tools met kunstmatige intelligentie deze eis raken, en waar het in de voorwaarden zit

Wie een document in zo'n tool plakt, verplaatst het naar de infrastructuur van een derde partij. Vier variabelen lopen daarbij door elkaar: training op invoer, bewaartermijn, inzage door medewerkers van de aanbieder, en de contractuele bescherming. Elk daarvan is per product en per accounttype anders geregeld en verandert met enige regelmaat, dus de vuistregel dat gratis onveilig is en betaald veilig, houdt geen stand. Wat telt is welk product met welke instellingen is toegestaan en of dat op de gebruiksdatum is vastgelegd. In een geschil luidt het eerste verweer dat gevoelige documenten routinematig in publieke tools werden ingevoerd; slaagt dat, dan kan de zaak op de definitie eindigen.

Twee keer gewogen, en wat de arbeidsovereenkomst hierover kan regelen

Haalt u de drempel wel, dan kan de rechter op grond van artikel 5 en 6 Wbb staking bevelen, beslag toestaan en vernietiging of afgifte van bestanden gelasten. Artikel 7 lid 1 onderdeel b Wbb weegt daarbij opnieuw welke beschermingsmaatregelen zijn genomen. Intern volstaat vaak het instructierecht van artikel 7:660 BW: een gedateerde, aantoonbaar verstrekte lijst van toegestane tools. Bij het boetebeding gelden de strenge eisen van artikel 7:650 BW, met een weekmaximum en een maximum per afzonderlijke boete van een halve dag loon, en artikel 7:651 BW verbiedt om ter zake van hetzelfde feit zowel boete te heffen als schadevergoeding te vorderen. Het artikel sluit af met zes controles op het personeelsreglement, de arbeidsovereenkomsten en de NDA's die u zelf hebt getekend, en sluit aan op het eerdere stuk over de kennisclausule.

Read more

Wiens algemene voorwaarden gelden bij een order per e-mail: artikel 6:225 lid 3 BW en het arrest First Data/Attingo van 11 februari 2011

Een leverancier stuurt maandag een offerte waarin staat dat zijn algemene voorwaarden op de website te vinden zijn. De klant antwoordt woensdag met een inkooporder uit zijn eigen pakket, met de eigen inkoopvoorwaarden als PDF erbij. Er wordt geleverd en betaald. Maanden later, bij een claim, blijkt de uitkomst af te hangen van twee vragen die toen al beslist waren: welke set voorwaarden hoort bij deze overeenkomst, en of de partij die zich erop beroept ze op tijd heeft afgegeven. Die vragen staan los van elkaar, en ondernemers behandelen ze als één.

Artikel 6:225 lid 3 BW geeft de eerste verwijzing voorrang

Verwijzen aanbod en aanvaarding naar verschillende algemene voorwaarden, dan komt aan de tweede verwijzing geen werking toe, tenzij daarbij de toepasselijkheid van de eerste set uitdrukkelijk van de hand wordt gewezen. Nederland volgt daarmee de regel van de eerste verwijzing. Dat verplaatst het zwaartepunt naar de volgorde waarin uw verkoop- en inkoopproces documenten verstuurt: de offerte gaat meestal als eerste de deur uit, en wie inkoopt verandert die verhouding pas door zelf te beginnen met een aanvraag of raamorder. In een organisatie die haar inkoop via een ERP-pakket doet, ligt die keuze vast in de inrichting van een documentsjabloon. De van-de-handwijzing hoort zichtbaar in het orderdocument zelf te staan, op de plek waar iemand hem leest.

Toepasselijkheid en terhandstelling zijn twee verschillende gevechten

Is de toepasselijkheid rond, dan begint de vraag of de gebruiker een redelijke mogelijkheid tot kennisneming heeft geboden. In HR 11 februari 2011 (First Data/Attingo) oordeelde de Hoge Raad dat het niet volstaat om de wederpartij naar het internet te verwijzen om de voorwaarden zelf op te zoeken; de gebruiker moet het initiatief nemen. Artikel 6:234 BW laat elektronische terhandstelling toe bij een langs elektronische weg gesloten overeenkomst, mits de voorwaarden zo beschikbaar komen dat opslaan en later raadplegen mogelijk is. Een meegestuurde PDF voldoet, en een directe link naar de geldende versie kan eveneens voldoen; een algemene verwijzing naar een website waar de lezer zelf de juiste set moet uitzoeken, haalt die maatstaf niet. Een wederpartij bij wie ten tijde van het sluiten van de overeenkomst vijftig of meer personen werkzaam waren, of die als rechtspersoon in de zin van artikel 2:360 BW toen laatstelijk haar jaarrekening had gepubliceerd, mist dit verweer op grond van artikel 6:235 lid 1 BW; lid 3 doet dat alleen bij gebruik van dezelfde of nagenoeg dezelfde voorwaarden als de ingeroepen set, wat de hoven beperkt uitleggen. Na HR 1 oktober 1999 (Geurtzen/Kampstaal) kan bekendheid met het beding een beroep op vernietiging bovendien alsnog blokkeren.

Zes controles op uw eigen orderstroom

Het artikel sluit af met een concrete lijst: wie in elke relatie het eerste document verstuurt, of de van-de-handwijzing in dat document zelf staat, of de PDF automatisch meegaat vanuit het offerte- of ERP-sjabloon, welke versie geldt en waar eerdere versies vindbaar zijn, hoe lang verzonden berichten met bijlagen bewaard blijven gelet op verjarings- en bewaartermijnen, en of uw voorwaarden aansluiten op wat uw administratie later kan aantonen. Bij grensoverschrijdende inkoop verschuift het speelveld: artikel 6:247 lid 2 BW zet afdeling 6.5.3 opzij bij een buitenlandse wederpartij, en voor zover het Weens Koopverdrag van toepassing is en niet is uitgesloten, bepaalt artikel 19 van dat verdrag wanneer een aanvaarding met afwijkende voorwaarden nog aanvaarding is.

Read more

Of u vijf jaar huurbescherming heeft, hangt af van één zin over het gebruik

Huur van bedrijfsruimte kent in Nederland twee regimes, en het verschil tussen die twee is groter dan bijna elk beding dat partijen zelf in hun contract opnemen. Aan de ene kant staat de bedrijfsruimte van artikel 7:290 BW: winkel, restaurant of café, afhaal- of besteldienst, ambachtsbedrijf, hotel of camping. Aan de andere kant staat al het overige — kantoor, praktijk, opslag, atelier, werkplaats — dat onder artikel 7:230a BW valt. De grens loopt over één voorwaarde in de wet, en die voorwaarde stelt een vraag die niet juridisch klinkt: is er in de verhuurde ruimte een voor het publiek toegankelijk lokaal waar rechtstreeks zaken worden geleverd of diensten worden verricht.

Vijf jaar bescherming of twee maanden klok

Het gevolg van die grens is scherp. Onder artikel 7:290 BW geldt de huurovereenkomst als hoofdregel voor vijf jaar en wordt zij daarna van rechtswege met vijf jaar verlengd, met afwijkingen voor een langere overeengekomen duur en voor korte huur. Zegt de verhuurder op tegen het einde van de eerste termijn, dan kan de rechter dat volgens artikel 7:296 BW slechts op twee gronden toewijzen: slecht huurderschap of dringend eigen duurzaam gebruik. Verkoop van het pand hoort daar niet bij; renovatie die zonder beëindiging van de huur onmogelijk is, wel. Onder artikel 7:230a BW is er geen termijnbescherming. Daar kan de huurder alleen om verlenging van de ontruimingstermijn vragen, binnen twee maanden na de schriftelijke ontruimingsaanzegging, met een maximum van drie jaar in stappen van een jaar en zonder hoger beroep tegen de beschikking.

De bestemmingsclausule doet het werk

Beslissend is waarvoor de ruimte volgens de huurovereenkomst is bestemd, niet wat het bestemmingsplan zegt of wat er op de gevel staat. Die contractuele bestemming wordt daarna getoetst aan een feitelijke voorwaarde: het publiek toegankelijke lokaal moet er werkelijk zijn. Zo'n inrichtingsbeslissing levert bewijs in een kwalificatiediscussie, maar verandert het regime niet uit zichzelf: daarvoor is een gewijzigde afspraak of voldoende duidelijke toestemming nodig, en gedogen is dat niet. Een webshop die op een bedrijventerrein een afhaalbalie opent, kan jaren later in een ander regime blijken te zitten dan het contract suggereert. Bij gecombineerd gebruik is eerst de vraag of de activiteiten samen één 290-bedrijf vormen en of het gehuurde splitsbaar is; pas bij werkelijk gemengd en niet-splitsbaar gebruik telt het zwaartepunt van het gebruik.

Wat u wel en niet kunt wegschrijven

Een clausule die afdeling 6 buiten toepassing verklaart, houdt in beginsel geen stand: artikel 7:291 BW verbiedt afwijking ten nadele van de huurder, tenzij de rechter het beding heeft goedgekeurd, en die goedkeuring wordt alleen gegeven als de rechten van de huurder niet wezenlijk worden aangetast of zijn maatschappelijke positie de bescherming overbodig maakt. Andersom besliste de Hoge Raad op 6 maart 2026 dat partijen afdeling 7.4.6 BW juist wel van toepassing kunnen verklaren op een ruimte die niet onder artikel 7:290 lid 2 BW valt. De bestemmingsclausule is daarom de bepaling waar de werkelijke ruimte zit. Welk van de twee ROZ-modellen is gebruikt, kiest het regime niet — bestemming, partijbedoeling en inrichting blijven beslissend — maar het model weegt in de uitleg wel zwaar mee. Dit artikel zet de wettelijke criteria naast elkaar, laat zien hoe de kwalificatie met het gebruik kan meebewegen, en geeft zeven vragen om vóór een verlenging of een opzegging langs de eigen huurovereenkomst te leggen.

Read more

Sinds 15 augustus bereikt de zorgplicht u via de contracten van uw klanten

De Cyberbeveiligingswet en het bijbehorende Cyberbeveiligingsbesluit gelden sinds 15 augustus 2026. Voor de meeste ondernemers begint deze wet niet met een brief van een toezichthouder, maar met een vragenlijst van een klant. Een softwarebureau van veertien man valt zelf niet onder de Cyberbeveiligingswet en krijgt toch elf pagina's aan vragen over back-ups, toegangsbeheer en onderaannemers, plus een addendum bij het bestaande onderhoudscontract. Zo bereikt deze regelgeving het mkb: via het contract van iemand anders. De ondernemer die zo'n vragenlijst krijgt, staat daarmee voor een contractenvraag in plaats van een technische.

Wat er precies is gaan gelden

Staatsblad 2026, 189 bevat geen wettekst maar een algemene maatregel van bestuur die de open normen van de wet invult. Artikel 35 laat wet en besluit samen op 15 augustus 2026 in werking treden, waarbij bewust is afgeweken van de vaste verandermomenten omdat het om implementatie van de Europese NIS2-richtlijn gaat. In de toelichting staat één zin die veel bestuurders zullen willen aanstrepen: het besluit voorziet niet in overgangsrecht. Geen wettelijke ingroeiperiode en geen apart regime voor kleinere entiteiten die net binnen de reikwijdte vallen. Het geraadpleegde mkb-panel heeft om zo'n ingroeiperiode gevraagd en die niet gekregen.

De plicht die u bereikt zonder dat u eronder valt

Artikel 10 van het besluit verplicht de entiteiten waarop het van toepassing is tot schriftelijk beleid over de beveiliging van hun toeleveringsketen, en tot periodieke toetsing van hun rechtstreekse leveranciers en dienstverleners. Artikel 4 zondert daarbij elf typen entiteiten uit, waaronder aanbieders van cloudcomputingdiensten en van beheerde diensten, omdat voor hen een Europese uitvoeringsverordening rechtstreeks geldt. Het woord "rechtstreekse" doet vervolgens het werk: de toetsplicht stopt bij de partijen waarmee de entiteit zelf een contract heeft. Verder de keten in reikt zij alleen als partijen dat contractueel doorleggen. De toelichting bakent de reikwijdte af met een voorbeeld dat blijft hangen: de leverancier van potloden valt erbuiten, de softwareleverancier valt er wel binnen.

Wat dit betekent voor uw voorwaarden

De toelichting noemt zelf de instrumenten waarmee entiteiten aan hun toetsplicht voldoen: certificering, clausules in leveringsovereenkomsten, heronderhandeling, een aanvullend contract of overstappen naar een andere partij. Dit stuk publiekrecht wordt in de praktijk dus vooral een golf van contractwijzigingen. Het artikel behandelt vier punten die u moet nakijken voordat u tekent, waaronder de garantiebepaling die u laat verklaren dat u aan een wet voldoet die aan u, als u zelf geen entiteit bent, helemaal geen eisen stelt, en sluit af met vijf stappen die een mkb-bedrijf deze week zelf kan zetten.

Read more

De kennisclausule: wat uw leverancier na de opdracht mag meenemen

Achterin de huisvoorwaarden van een dienstverlener kan een bepaling van twee regels staan: de opdrachtnemer mag de bij de uitvoering van de overeenkomst opgedane kennis ook voor andere doeleinden gebruiken, zolang daarbij geen strikt vertrouwelijke informatie van de opdrachtgever bij derden terechtkomt. Zij wordt zelden onderhandeld en bijna nooit gelezen, en zij regelt de waardevolste opbrengst van een opdracht: het begrip van hoe uw onderneming werkt. De gangbare branchestandaard kent haar niet — de NLdigital Voorwaarden van 2025 bevatten geen bepaling over hergebruik van opgedane kennis — waardoor zij vooral opduikt in de eigen voorwaarden van een individuele leverancier. Wie drie jaar lang een softwarehuis, een ingenieursbureau of een dataconsultant meekijkt in calculatie, planning en klantpatronen, geeft precies datgene prijs waar deze kennisclausule in algemene voorwaarden over gaat.

Waarom de wet u hier niet redt

Bij auteursrecht op ontwerp of code weet u waar u staat: het recht ontstaat bij de maker en gaat pas over bij akte. Werkwijzen, calculatieregels en inkoopstrategie kennen zo'n absoluut recht niet. Zij kunnen wel als bedrijfsgeheim worden beschermd, mits aan drie cumulatieve kenmerken is voldaan, en binnen die bescherming weegt zwaar wat partijen zelf hebben afgesproken. De Wet bescherming bedrijfsgeheimen stelt drie cumulatieve eisen — de informatie is geheim, zij heeft handelswaarde omdat zij geheim is, en u nam er redelijke maatregelen toe. Een kennisclausule snijdt geen van die eisen automatisch af; zij geeft de leverancier een contractuele grondslag voor het overeengekomen gebruik en weegt mee bij de beoordeling van uw geheimhoudingsmaatregelen. Of gebruik vervolgens onrechtmatig is, hangt mede af van toestemming en van schending van een contractuele gebruiksbeperking. Hoever de clausule reikt, is een uitleg- en reikwijdtevraag. Daar komt de toepasselijkheidsvraag bovenop. Wie zijn eigen inkoopvoorwaarden onder aan de bestelbon zet zonder de voorwaarden van de wederpartij uitdrukkelijk van de hand te wijzen, wint de botsing van voorwaardensets niet.

Wat er sinds de komst van AI is verschoven

De bepaling is geschreven voor een adviseur die iets onthield. Zijn geheugen was begrensd, gebonden aan één persoon, en verdween grotendeels bij een baanwissel. Bij een moderne dienstverlener kan dezelfde opgedane kennis achterblijven in een verfijnd model, een promptbibliotheek of een intern sjabloon: niet gebonden aan de mensen die bij u aan tafel zaten, niet aan te wijzen in één document, en zichtbaar als output waarvan de herkomst zich slecht laat reconstrueren. Voor persoonsgegevens kan de clausule de verwerking niet zelfstandig legitimeren — een verwerker verwerkt uitsluitend op gedocumenteerde instructie, behoudens een wettelijke verplichting, en rol, grondslag en doelbinding volgen uit de feiten en uit de AVG. Voor de overige knowhow houdt het beding wel betekenis, binnen zijn uitgelegde reikwijdte.

Waar u het verschil maakt

Het gaat om drie concrete plekken in uw leverancierscontract: de definitie van strikt vertrouwelijk, de vraag of de uitzondering ook intern hergebruik verbiedt, en de rangorde tussen geheimhoudingsovereenkomst, verwerkersovereenkomst en algemene voorwaarden. Dit artikel loopt die plekken langs met acht vragen die u vóór de opdrachtbevestiging kunt stellen, met de smalle routes die overblijven wanneer de handtekening er al staat, en met het verlengingsmoment als het punt waarop een aanvullende afspraak over hergebruik nog goedkoop is.

Read more

Betaald, geleverd, en toch niet van u

Neem een situatie die zich in wisselende gedaanten steeds herhaalt. Een ondernemer verkoopt zijn bedrijf en krijgt in het boekenonderzoek een vraag waarop niemand zich had voorbereid: waar staat eigenlijk dat het logo, de website en de productfotografie van de vennootschap zijn? Er liggen offertes, een opdrachtbevestiging en betaalde facturen van het ontwerpbureau. Verder niets. Het bureau bevestigt vriendelijk dat het auteursrecht bij hen ligt, en juridisch heeft het gelijk. De koopprijs zakt of een deel ervan gaat in escrow. Dat is geen ongelukkige uitzondering, maar de standaarduitkomst van de Auteurswet zodra partijen over rechten niets hebben vastgelegd: het recht ontstaat bij de maker en blijft daar, hoeveel facturen er ook zijn voldaan.

Schriftelijke overeenkomst, en voor de overdracht ook een akte

De wet stelt twee eisen naast elkaar. De overeenkomst waarin auteursrecht wordt overgedragen of een exclusieve licentie wordt verleend, moet schriftelijk worden aangegaan, en voor de overdracht komt daar een levering bij akte overheen. Een losse e-mail waarin staat dat alles van u is, haalt die drempel in beginsel niet. Draagt de maker zelf over, dan gaan alleen de bevoegdheden mee die uitdrukkelijk zijn genoemd of noodzakelijkerwijs uit de overeenkomst voortvloeien. Voor werknemers geldt een uitzondering: wat zij in hun functie maken, komt behoudens afwijkende afspraak van meet af aan bij de werkgever terecht. Voor zzp’ers, bureaus en hun toeleveranciers geldt die regel niet, en een bureau kan bovendien alleen overdragen wat het zelf van zijn eigen mensen heeft verkregen.

Wat u zonder overdracht wél heeft

Zonder overdracht houdt u meestal een gebruiksrecht voor het doel waarvoor u de opdracht gaf: de huisstijl om mee te ondernemen, de foto’s voor de webshop, de site om online te staan. Hoe ver dat recht reikt, is een kwestie van uitleg; exclusiviteit levert het zelden op, ruimte om het werk te verbouwen botst op de persoonlijkheidsrechten van de maker, en of het meegaat bij een overname of herstructurering staat allerminst vast. Daarnaast volgen het merk en de domeinnaam de registratie, volgen hosting en codeopslag het account, en blijven bewerkbare bronbestanden, lettertypen en stockbeeld vaak bij het bureau achter.

Acht punten vóór de eerste factuur

Het artikel zet de wettelijke regels naast de dagelijkse praktijk van ontwerp, code en fotografie, en sluit af met een checklist van acht afspraken die in de opdrachtbevestiging horen: de schriftelijke overdracht met akte, de opsomming van bevoegdheden, de rechtenketen en vrijwaring, persoonlijkheidsrechten, bronbestanden en licenties, registraties en accounts, de koppeling aan betaling, en de portfoliobepaling. Voor werk dat al is opgeleverd volgt een herstelroute, inclusief de momenten waarop uw onderhandelingspositie vanzelf weer sterker wordt.

Read more

Er winkelt een agent in uw webshop

Op 4 augustus 2026 vernietigde het Amerikaanse hof van beroep voor het Ninth Circuit de voorlopige voorziening die Amazon had verkregen tegen Perplexity's browserassistent. Op dit dossier, zo oordeelde het hof, verkreeg de gebruiker zelf toegang tot Amazons systemen; de Amerikaanse anti-hackwet richt zich op personen, en de assistent was hun gereedschap. Het hof onderstreepte de beperkte reikwijdte van zijn beslissing, de zaak loopt door, en toch haalde de uitspraak wereldwijd de vakpers. De onderliggende vraag ligt namelijk ook op het bord van elke Nederlandse ondernemer met een webshop of klantportaal. AI-agenten die op instructie van een klant prijzen vergelijken, formulieren invullen en bestellingen afrekenen, zijn technisch gewoon bezoekers; juridisch dwingen ze u opnieuw na te denken over de vraag met wie u eigenlijk contracteert.

Wie is gebonden als een agent bestelt?

Naar Nederlands recht is het antwoord geruststellend nuchter. Een agent is zelf geen rechtssubject en wordt geen partij; de bestelling kan worden toegerekend aan de gebruiker die hem inzette, een mens of een rechtspersoon, en de koop komt dan gewoon tot stand door aanbod en aanvaarding. Dat geldt ook omgekeerd: laat uw eigen medewerker een inkooporder door een assistent plaatsen, dan kan die order uw bedrijf binden. De echte werkvragen zitten een laag dieper: gelden uw algemene voorwaarden wanneer een machine ze te zien krijgt, houdt uw beroep op een kennelijke prijsfout stand tegen een agent die in minuten tientallen exemplaren bestelt, en kunt u achteraf bewijzen wat de bezoeker in uw bestelflow getoond kreeg?

Spelregels stelt u aan de balie

Het artikel loopt de Amerikaanse uitspraak langs en vertaalt haar naar de Nederlandse praktijk: de terhandstellingsplicht bij elektronisch contracteren, de botbepaling waarmee u geautomatiseerd gebruik toestaat, weert of kanaliseert, de prijsfoutclausule en de logging die uw bewijspositie draagt.

Vijf vragen voor uw eigen flow

Een beslisschema van vijf vragen helpt u uw webshop of portaal agent-klaar te maken, van de voorwaardenversie in de bestelflow tot interne afspraken over wie bij u een agent mag laten inkopen. Zo bepaalt u zelf de spelregels voordat de eerste agent-bestelling tussen de ochtendorders zit.

Read more