Incassokosten en handelsrente bij een zakelijke wanbetaler: de staffel van 27 maart 2012, de 10,40 procent van dit halfjaar en het arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2015 over uw incassobeding

Een zakelijke klant betaalt een factuur van 12.000 euro niet. Wat u daar wettelijk bovenop mag rekenen, staat op drie plekken: artikel 6:96 BW met het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van 27 maart 2012, en de artikelen 6:119a en 6:120 BW over de wettelijke handelsrente. Voor het tweede halfjaar van 2026 komt dat uit op 895 euro aan incassokosten en 10,40 procent rente per jaar, gemiddeld 104 euro per maand. Beide bedragen gelden zonder dat u er iets over heeft afgesproken; de rente loopt vanzelf, de volledige staffel vraagt eerst een aanmaning.

De staffel van het Besluit en het minimum van 40 euro bij handelsovereenkomsten

Het Besluit rekent 15 procent over de eerste 2.500 euro van de hoofdsom, daarna 10, 5, 1 en 0,5 procent over de volgende tranches, met een plafond van 6.775 euro. Bij een handelsovereenkomst is volgens artikel 6:96 lid 4 BW ten minste 40 euro verschuldigd zonder aanmaning, vanaf de dag na de uiterste betaaldag, en daarvan mag niet ten nadele van de schuldeiser worden afgeweken. De veertiendagenbrief geldt alleen voor consumenten; een bv of een zakelijk inkopende eenmanszaak heeft daar geen recht op.

Handelsrente van 10,40 procent en het arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2015

De handelsrente is de ECB-herfinancieringsrente vóór het begin van het halfjaar plus acht procentpunten. Met de ECB-stand van 2,40 procent sinds 17 juni 2026 is dat 10,40 procent voor het halfjaar dat op 1 juli 2026 begon; de verhoging naar 2,65 procent per 16 september 2026 werkt pas op 1 januari 2027 door. De rente loopt van rechtswege, zonder ingebrekestelling. Veel algemene voorwaarden bevatten daarnaast een eigen incassobeding van 15 procent. De Hoge Raad besliste op 10 juli 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1868) dat zo'n beding tussen ondernemingen geldig is, maar dat de rechter het ambtshalve kan matigen tot het staffelbedrag, tenzij de schuldeiser stelt en aannemelijk maakt dat zijn werkelijke kosten hoger en redelijk waren.

Artikel 6:44 BW en de deelbetaling die het dossier niet sluit

Hetzelfde arrest bevestigt dat incassokosten onder artikel 6:44 lid 1 BW vallen: een betaling wordt eerst op de kosten, dan op de rente en pas daarna op de hoofdsom toegerekend. De klant die na een sommatie precies de hoofdsom overmaakt, laat daarmee een deel van de hoofdsom openstaan waarover de rente doorloopt. Het artikel sluit af met vijf dingen die u vóór de eerste aanmaning vastlegt, van de uiterste betaaldag en het ontvangstbewijs van de factuur tot de schriftelijke toerekening van elke deelbetaling.

Read more

Vanaf 9 december 2026 is software een product: Richtlijn (EU) 2024/2853, wetsvoorstel 36906 en waarom uw exoneratieclausule de claim niet meer tegenhoudt

Op 9 september 2026 is wetsvoorstel 36906 aangemeld voor plenaire behandeling in de Tweede Kamer. Dat voorstel zet Richtlijn (EU) 2024/2853 om in het Burgerlijk Wetboek, en de Europese omzettingstermijn loopt af op 9 december 2026. Vanaf die datum geldt voor alles wat daarna in de handel wordt gebracht een nieuw regime, waarin software volgens artikel 4 uitdrukkelijk een product is. Voor softwarebedrijven, machinebouwers met firmware, importeurs en integratiepartijen is dat geen detail: het is een risicoaansprakelijkheid die buiten het contract om loopt.

Waarom de exoneratie in uw voorwaarden hier niets doet

Artikel 15 van de richtlijn verbiedt beperking of uitsluiting van de aansprakelijkheid jegens de benadeelde. Geen aansprakelijkheidsplafond, geen uitsluiting van gevolgschade, geen beperking tot twaalf maanden contractwaarde. Die bedingen blijven werken tussen contractspartijen en raken de vordering van de benadeelde niet. Wat vanaf december het werk moet doen, is de vrijwaring voor aanspraken van derden: de afspraak die bepaalt wie in de keten uiteindelijk betaalt. In veel Nederlandse leveringsvoorwaarden staat een uitvoerige exoneratie en geen woord over vrijwaring. De schade die onder de richtlijn valt is wel begrensd — letsel, zaakschade en dataverlies in de privésfeer, niet de bedrijfsschade van uw zakelijke klant.

Bewijs, updates en de vraag wanneer u zelf fabrikant wordt

Artikel 9 geeft de rechter de bevoegdheid om afgifte van relevant bewijsmateriaal te bevelen; artikel 10 laat het gebrek vermoeden als die stukken uitblijven. Uw release-administratie, testrapporten en incidentenregister worden daarmee procesdocumenten. Artikel 7 lid 2 rekent het vermogen van een product om na levering te blijven leren mee bij de beoordeling van gebrekkigheid, en artikel 11 lid 2 sluit vrijstelling uit wanneer het gebrek te wijten is aan software, aan updates of aan het ontbreken van beveiligingsupdates. Wie bovendien de software van een ander ingrijpend wijzigt en onder eigen naam levert, geldt op grond van artikel 8 lid 2 zelf als fabrikant voor die wijziging.

Zes vragen vóór 9 december

Het artikel eindigt met zes concrete vragen over uw inkoop- en leveringsvoorwaarden: welke producten software bevatten, wie per onderdeel fabrikant is, of er een vrijwaring tegenover de exoneratie staat, tot wanneer u beveiligingsupdates levert in verhouding tot de vervaltermijn van tien jaar in artikel 17, welke documenten u zou moeten afgeven, en of u per levering kunt aantonen wanneer het product in de handel kwam. Die laatste vraag beslist welk van de twee regimes geldt.

Read more

Huurcontract bedrijfsruimte checken in 2026: looptijd, opzegging, huurprijsindexering en huurprijsherziening na vijf jaar (artikel 7:292, 7:293 en 7:303 BW)

U tekent voor een winkelpand een huurovereenkomst op het ROZ-model, vijf jaar plus vijf jaar, met een jaarlijkse huurprijsaanpassing volgens de indexeringsbepaling van het model. In jaar vier wilt u weg, in jaar zes vindt u de huur te hoog vergeleken met de buren. Wat er dan kan, staat in de wet, in het model en in de bijzondere bepalingen. Dit artikel gaat verder waar het stuk van 24 augustus over de bestemmingsclausule ophield: u valt onder artikel 7:290 BW, en nu wilt u weten wat het contract met de looptijd, de opzegging en de huurprijs doet.

Looptijd, verlenging en opzegging: artikel 7:292, 7:293, 7:296 en 7:301 BW

Een huurovereenkomst bedrijfsruimte geldt als hoofdregel voor vijf jaar, of langer als dat is afgesproken; een overeenkomst van vijf jaar wordt van rechtswege met vijf jaar verlengd, een langere eerste duur tot in totaal tien jaar; na tien jaar loopt zij voor onbepaalde tijd door, tenzij het contract iets anders regelt. Een contract van twee jaar of korter valt buiten die regels, tot het gebruik langer duurt: dan ontstaat als hoofdregel van rechtswege een vijfjaarscontract. Bij zo'n vijfjaarscontract kan de huurder alleen tegen het einde van een termijn opzeggen, bij exploot of aangetekende brief, met ten minste een jaar; wie in jaar vier weg wil, zit al aan de grens. De verhuurder moet gronden noemen en kan tegen het einde van de eerste vijf jaar alleen beëindigen als de bedrijfsvoering van de huurder niet is geweest zoals een goed huurder betaamt, of bij dringend eigen gebruik. Een afwijking ten nadele van de huurder is zonder goedkeuring van de kantonrechter vernietigbaar.

Huurprijsindexering sinds het ROZ-keuzemenu van 10 april 2024 en huurprijsherziening na vijf jaar (artikel 7:303 BW)

De indexering is een contractafspraak; de wet regelt haar niet. Sinds 10 april 2024 bieden de ROZ-modellen, na gesprekken met de ACM, een keuzemenu (artikel 4.5 in het model 2022, artikel 4.7 in het model 2025): CPI, een vast percentage, een index naar keuze of geen automatische aanpassing; is een ouder model met de oude CPI-bepaling overeengekomen en ongewijzigd gelaten, dan blijft die bepaling gelden. Daarnaast volgt de huurprijsherziening van artikel 7:303 BW de markt: zowel huurder als verhuurder kan na afloop van de overeengekomen duur, en daarna telkens na vijf jaar, de rechter vragen de huur nader vast te stellen naar het gemiddelde van vergelijkbare bedrijfsruimte ter plaatse over de voorafgaande vijf jaar, met een deskundigenadvies als voorwaarde volgens artikel 7:304 BW. Het artikel sluit af met zes controlepunten en de huurcontractcheck van JAVB, die het contract per clausule groen, oranje of rood kleurt.

Read more

Een leveranciers- of distributierelatie zonder opzegbepaling opzeggen: zwaarwegende grond, opzegtermijn en schadevergoeding volgens de Hoge Raad van 28 oktober 2011 en 2 februari 2018

Een leveranciers-, distributie- of dienstverleningsrelatie loopt jaren door zonder dat ooit is opgeschreven hoe zij eindigt. Dan komt de brief, met een termijn van een maand. De vraag is zelden of opzeggen mag, want dat mag in beginsel. De vraag is op welke grond, met welke termijn, en of er een vergoeding bij hoort.

De maatstaf van de Hoge Raad uit 2011 en 2018

In De Ronde Venen/Stedin van 28 oktober 2011 besliste de Hoge Raad dat een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd zonder opzegregeling in beginsel opzegbaar is, maar dat de eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen meebrengen dat een voldoende zwaarwegende grond nodig is, dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen, of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een schadevergoeding. Auping/Beverslaap bevestigde die lijn in 2013 voor een distributieverhouding. In Goglio/SMQ Europe van 2 februari 2018 kwam daar de andere helft bij: staat er wél een opzegregeling in wet of contract, dan is dat beding het uitgangspunt en kunnen aanvullende eisen alleen worden gesteld voor zover wet en overeenkomst daarvoor ruimte laten. Een uitgeschreven opzegbeding is daarmee aanzienlijk sterker dan geen beding.

Waarom uw jaarrekening de opzegtermijn bepaalt

Rechters wegen de duur van de relatie, de afhankelijkheid, de omzet en vooral de investeringen die alleen binnen deze samenwerking waarde hebben. Daaruit volgt een anker dat zelden wordt gebruikt: de resterende afschrijvingstermijn van de machine, koppeling of certificering die voor deze afnemer is aangeschaft. Die termijn staat al jaren in de boeken, is door een accountant gezien, en zegt hoeveel tijd de opgezegde partij zelf nodig achtte om de investering terug te verdienen.

Agentuur, distributie en zeven vragen vooraf

Bemiddelt de wederpartij tegen provisie op uw naam, dan gelden de dwingende opzegtermijn van artikel 7:437 BW en de klantenvergoeding van artikel 7:442 BW. Koopt zij voor eigen rekening in, dan is het distributie en geldt de open weging. Het artikel geeft zeven vragen die u beantwoordt voordat de opzeggingsbrief de deur uitgaat, en zegt wat u doet als de brief al is verstuurd of juist bij u is binnengekomen.

Read more

Cyberbeveiligingswet sinds 15 augustus 2026: wanneer uw holding en dochters meetellen bij de grens van 50 fte en 10 miljoen euro

Of uw bedrijf onder de Cyberbeveiligingswet valt, hangt sinds 15 augustus 2026 af van uw sector en van uw omvang. Voor die omvang verwijzen artikel 8 en artikel 12 van de wet naar de mkb-definitie van de Europese Commissie uit 2003: wie 50 of meer fte heeft, of met minder dan 50 fte zowel een jaaromzet als een balanstotaal boven 10 miljoen euro, is groot genoeg en valt binnen de sectoren van bijlage 1 en 2 onder de wet; wie daaronder blijft, valt er alleen onder als zijn soort dienst zonder omvangseis is aangewezen. Veel ondernemers rekenen die toets met de cijfers van hun eigen werkmaatschappij. Dat is de fout die dit artikel uitlegt.

Wanneer uw holding, uw dochter en een ander bedrijf van dezelfde eigenaar meetellen: artikel 3 en artikel 6 van de bijlage

De bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG onderscheidt zelfstandige, partner- en verbonden ondernemingen. Een partner houdt 25 procent of meer van kapitaal of stemrechten; een verbonden onderneming heeft een meerderheids- of zeggenschapsband, ook als die via dezelfde natuurlijke persoon loopt en de bedrijven op dezelfde of een verwante markt actief zijn. Artikel 6 zegt hoe u rekent: partners naar rato erbij, verbonden ondernemingen voor 100 procent. Het NCSC zegt het in één zin op zijn reikwijdtepagina: tel ook partner- en verbonden ondernemingen mee bij medewerkers, jaaromzet en balanstotaal. Een installatiebedrijf met 38 eigen fte en een zuster met 25 fte waarin de holding 60 procent houdt, komt zo op 63 fte en boven de grens uit.

Hoe u de toets deze maand zelf doet en vastlegt: vijf stappen

Het artikel loopt ook langs wat de Cyberbeveiligingswet uit de aanbeveling schrapt, namelijk de regel dat een onderneming met een overheidsaandeelhouder van 25 procent of meer niet als mkb kan gelden, en wat zij laat staan: de referentieperiode van het laatste afgesloten boekjaar en de regel dat een drempel pas na twee opeenvolgende boekjaren telt. Daarna volgen vijf stappen om de omvangstoets te doen en met datum vast te leggen: de structuur tekenen, elke lijn kwalificeren, rekenen volgens artikel 6, de RDI-zelfevaluatie invullen met de opgetelde cijfers, en de uitkomst bewaren.

Wat er verandert als de toets "ja" zegt: registratie, zorgplicht en uw eigen leveranciers

Is het antwoord "ja", dan gelden drie plichten tegelijk: registratie bij het NCSC, de zorgplicht van artikel 21 Cyberbeveiligingswet zoals het Cyberbeveiligingsbesluit die uitwerkt, en de meldplicht voor significante incidenten van artikel 25 en volgende. Onderdeel van die zorgplicht is het beheersen van de beveiligingsrisico's in uw eigen toeleveringsketen onder artikel 10 van dat besluit, met de acceptatietest uit het artikel over artikel 7:17 BW als praktisch hulpmiddel. Is het antwoord "nee", dan bereikt de wet u zoals op 20 augustus beschreven via de contracten van klanten die er wél onder vallen.

Read more

Wanneer is een AI-systeem geleverd? Artikel 7:17 BW, het arrest De Beeldbrigade van 27 april 2012 en de acceptatietest die u zelf schrijft

Een AI-systeem wordt zelden op één dag geleverd. Er is een demo, een pilot, een koppeling met uw eigen data, een periode waarin het "nog leert", en ergens in die maanden een factuur. Wie later vindt dat het systeem niet doet wat is beloofd, krijgt van de leverancier de vraag terug: wat was er dan precies beloofd, en wanneer heeft u geaccepteerd? Dit artikel legt uit welke wettelijke lat daarvoor geldt en hoe u met één document, de acceptatietest, die discussie vóór de handtekening beslecht.

Wat de Hoge Raad in 2012 besliste over software die u koopt

In het arrest De Beeldbrigade/Hulskamp van 27 april 2012 oordeelde de Hoge Raad dat de aanschaf van standaardsoftware voor onbepaalde duur tegen betaling van een bedrag ineens onder de kooptitel van Boek 7 BW valt, ongeacht of de software op een drager of via download wordt geleverd. Daarmee gelden de regels over conformiteit van artikel 7:17 BW: de afgeleverde zaak moet aan de overeenkomst beantwoorden en bezit de eigenschappen die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. Bij koop van software is conformiteit de wettelijke lat, en die lat wordt gevuld door wat u mocht verwachten. Voor een AI-systeem dat als abonnement of als dienst wordt afgenomen, ligt de kwalificatie anders, maar de vraag blijft dezelfde: wat mocht u verwachten, en waar staat dat?

Waarom de acceptatietest het antwoord is dat u zelf schrijft

Een AI-systeem kan variabele uitkomsten geven. Het levert een percentage juiste antwoorden, een gemiddelde doorlooptijd, een aantal fouten per honderd documenten. Verwachtingen die niet in getallen staan, zijn na levering moeilijk te bewijzen. Het artikel laat zien hoe u de verwachting vooraf vastlegt in een acceptatietest met eigen data, meetbare drempels, een testperiode en een acceptatiemoment, en hoe die test doorwerkt in de conformiteitsvraag, in de garantie en in uw recht om te ontbinden. Een acceptatietest maakt van "het werkt niet goed" een meetbare tekortkoming. Het sluit af met de vijf onderdelen die in elke acceptatiebijlage horen, en met de contractscan van JAVB voor wie een leverancierscontract voorgelegd krijgt.

Read more

AI-tools op de werkvloer en de derde eis van artikel 1 Wbb: welke maatregelen uw bedrijfsgeheim in stand houden

Een accountmanager plakt op dinsdagmiddag de calculatie van vorig jaar, de inkoopprijzen van drie toeleveranciers en een conceptofferte in een gratis chatbot, om te laten controleren of de opbouw klopt. Er wordt niets geforceerd en niets meegenomen. Een jaar later gaat dezelfde afnemer met een concurrent in zee die opvallend dicht bij die prijsopbouw zit, en dan begint het onderzoek bij de eigen onderneming: was die calculatie op dat moment nog een bedrijfsgeheim?

Artikel 1 Wbb stelt drie eisen, en de derde gaat over uw eigen gedrag

De Wet bescherming bedrijfsgeheimen van 17 oktober 2018, in werking op 23 oktober 2018 ter uitvoering van Richtlijn (EU) 2016/943, noemt drie cumulatieve voorwaarden. De informatie moet geheim zijn, zij moet handelswaarde bezitten omdat zij geheim is, en zij moet door de rechtmatige houder zijn onderworpen aan redelijke maatregelen, gezien de omstandigheden, om haar geheim te houden. De eerste twee eisen zijn eigenschappen van de informatie. De derde is een redelijkheidstoets over uw eigen handelen: de rechter weegt het samenstel van maatregelen en hun feitelijke werking, gezien de omstandigheden. Eén ongeoorloofde invoer beëindigt de bescherming dus niet automatisch, al kan een patroon van ongecontroleerde verspreiding het samenstel wel onderuithalen. Daarin verschilt een bedrijfsgeheim van een octrooi of een merk, waar de aanspraak in een register vastligt en slordigheid overleeft; hier moet de houder de bescherming blijven onderhouden. De vergelijking met een preventieve garantie in een verzekeringspolis gaat maar ten dele op, en wijst vooral de richting waarin de bewijslast loopt: het gaat om wat er in de organisatie feitelijk gebeurde.

Waarom tools met kunstmatige intelligentie deze eis raken, en waar het in de voorwaarden zit

Wie een document in zo'n tool plakt, verplaatst het naar de infrastructuur van een derde partij. Vier variabelen lopen daarbij door elkaar: training op invoer, bewaartermijn, inzage door medewerkers van de aanbieder, en de contractuele bescherming. Elk daarvan is per product en per accounttype anders geregeld en verandert met enige regelmaat, dus de vuistregel dat gratis onveilig is en betaald veilig, houdt geen stand. Wat telt is welk product met welke instellingen is toegestaan en of dat op de gebruiksdatum is vastgelegd. In een geschil luidt het eerste verweer dat gevoelige documenten routinematig in publieke tools werden ingevoerd; slaagt dat, dan kan de zaak op de definitie eindigen.

Twee keer gewogen, en wat de arbeidsovereenkomst hierover kan regelen

Haalt u de drempel wel, dan kan de rechter op grond van artikel 5 en 6 Wbb staking bevelen, beslag toestaan en vernietiging of afgifte van bestanden gelasten. Artikel 7 lid 1 onderdeel b Wbb weegt daarbij opnieuw welke beschermingsmaatregelen zijn genomen. Intern volstaat vaak het instructierecht van artikel 7:660 BW: een gedateerde, aantoonbaar verstrekte lijst van toegestane tools. Bij het boetebeding gelden de strenge eisen van artikel 7:650 BW, met een weekmaximum en een maximum per afzonderlijke boete van een halve dag loon, en artikel 7:651 BW verbiedt om ter zake van hetzelfde feit zowel boete te heffen als schadevergoeding te vorderen. Het artikel sluit af met zes controles op het personeelsreglement, de arbeidsovereenkomsten en de NDA's die u zelf hebt getekend, en sluit aan op het eerdere stuk over de kennisclausule.

Read more

Wiens algemene voorwaarden gelden bij een order per e-mail: artikel 6:225 lid 3 BW en het arrest First Data/Attingo van 11 februari 2011

Een leverancier stuurt maandag een offerte waarin staat dat zijn algemene voorwaarden op de website te vinden zijn. De klant antwoordt woensdag met een inkooporder uit zijn eigen pakket, met de eigen inkoopvoorwaarden als PDF erbij. Er wordt geleverd en betaald. Maanden later, bij een claim, blijkt de uitkomst af te hangen van twee vragen die toen al beslist waren: welke set voorwaarden hoort bij deze overeenkomst, en of de partij die zich erop beroept ze op tijd heeft afgegeven. Die vragen staan los van elkaar, en ondernemers behandelen ze als één.

Artikel 6:225 lid 3 BW geeft de eerste verwijzing voorrang

Verwijzen aanbod en aanvaarding naar verschillende algemene voorwaarden, dan komt aan de tweede verwijzing geen werking toe, tenzij daarbij de toepasselijkheid van de eerste set uitdrukkelijk van de hand wordt gewezen. Nederland volgt daarmee de regel van de eerste verwijzing. Dat verplaatst het zwaartepunt naar de volgorde waarin uw verkoop- en inkoopproces documenten verstuurt: de offerte gaat meestal als eerste de deur uit, en wie inkoopt verandert die verhouding pas door zelf te beginnen met een aanvraag of raamorder. In een organisatie die haar inkoop via een ERP-pakket doet, ligt die keuze vast in de inrichting van een documentsjabloon. De van-de-handwijzing hoort zichtbaar in het orderdocument zelf te staan, op de plek waar iemand hem leest.

Toepasselijkheid en terhandstelling zijn twee verschillende gevechten

Is de toepasselijkheid rond, dan begint de vraag of de gebruiker een redelijke mogelijkheid tot kennisneming heeft geboden. In HR 11 februari 2011 (First Data/Attingo) oordeelde de Hoge Raad dat het niet volstaat om de wederpartij naar het internet te verwijzen om de voorwaarden zelf op te zoeken; de gebruiker moet het initiatief nemen. Artikel 6:234 BW laat elektronische terhandstelling toe bij een langs elektronische weg gesloten overeenkomst, mits de voorwaarden zo beschikbaar komen dat opslaan en later raadplegen mogelijk is. Een meegestuurde PDF voldoet, en een directe link naar de geldende versie kan eveneens voldoen; een algemene verwijzing naar een website waar de lezer zelf de juiste set moet uitzoeken, haalt die maatstaf niet. Een wederpartij bij wie ten tijde van het sluiten van de overeenkomst vijftig of meer personen werkzaam waren, of die als rechtspersoon in de zin van artikel 2:360 BW toen laatstelijk haar jaarrekening had gepubliceerd, mist dit verweer op grond van artikel 6:235 lid 1 BW; lid 3 doet dat alleen bij gebruik van dezelfde of nagenoeg dezelfde voorwaarden als de ingeroepen set, wat de hoven beperkt uitleggen. Na HR 1 oktober 1999 (Geurtzen/Kampstaal) kan bekendheid met het beding een beroep op vernietiging bovendien alsnog blokkeren.

Zes controles op uw eigen orderstroom

Het artikel sluit af met een concrete lijst: wie in elke relatie het eerste document verstuurt, of de van-de-handwijzing in dat document zelf staat, of de PDF automatisch meegaat vanuit het offerte- of ERP-sjabloon, welke versie geldt en waar eerdere versies vindbaar zijn, hoe lang verzonden berichten met bijlagen bewaard blijven gelet op verjarings- en bewaartermijnen, en of uw voorwaarden aansluiten op wat uw administratie later kan aantonen. Bij grensoverschrijdende inkoop verschuift het speelveld: artikel 6:247 lid 2 BW zet afdeling 6.5.3 opzij bij een buitenlandse wederpartij, en voor zover het Weens Koopverdrag van toepassing is en niet is uitgesloten, bepaalt artikel 19 van dat verdrag wanneer een aanvaarding met afwijkende voorwaarden nog aanvaarding is.

Read more

Uw softwareleverancier zet AI aan: bezwaar onder artikel 28 lid 2 AVG, en wat uw wijzigingsbeding daarna nog waard is

De leverancier van uw planningspakket, boekhoudsysteem of helpdesk kondigt nieuwe functies aan die werkbonnen samenvatten, offerteteksten voorstellen en klantvragen beantwoorden. Onderaan het servicebericht staat de zin die er juridisch toe doet: voor die functies wordt een nieuwe partij ingeschakeld die de gegevens verwerkt, en wie binnen dertig dagen geen bezwaar maakt, wordt geacht in te stemmen. Die aankondiging breidt de kring van partijen uit die bij uw klantgegevens kunnen, en vaak ook de doeleinden waarvoor die gegevens worden gebruikt.

Wat artikel 28 lid 2 AVG wel en niet regelt

Bijna elke verwerkersovereenkomst die een mkb-bedrijf tekent, bevat een algemene schriftelijke toestemming voor toekomstige subverwerkers. In dat geval verplicht de AVG de leverancier alleen om u te informeren over een voorgenomen toevoeging of vervanging en om u de gelegenheid te geven bezwaar te maken. Over het gevolg van dat bezwaar zwijgt de verordening: geen vetorecht, geen opschorting, geen ontbindingsrecht. De contractuele uitkomst hangt af van het beding in uw eigen overeenkomst, terwijl u volgens de EDPB-opinie 22/2024 zelf verantwoordelijk blijft voor de beoordeling of de nieuwe partij voldoende garanties biedt. Daarnaast blijft de leverancier op grond van artikel 28 lid 4 AVG volledig aansprakelijk voor het nakomen van de verplichtingen van de partij die hij inschakelt, en geldt hij op grond van lid 10 zelf als verwerkingsverantwoordelijke zodra hij doel en middelen van een verwerking bepaalt — bijvoorbeeld door met uw klantgegevens een eigen model te trainen.

Verwerkersrecht en verbintenissenrecht lopen naast elkaar

In deze gesprekken blijft artikel 6:76 BW meestal onbesproken. Wie bij de uitvoering van een verbintenis gebruikmaakt van de hulp van anderen, is voor hun gedragingen op gelijke wijze aansprakelijk als voor eigen gedragingen. Uw leverancier koos de subverwerker. Voor zover die partij wordt ingezet bij de uitvoering van wat de leverancier heeft beloofd en haar handelen bij de leverancier zelf een tekortkoming zou opleveren, wordt het aan hem toegerekend. Het verwerkersrecht geeft een informatieplicht, het verbintenissenrecht een toerekeningsregel, en een ruime exoneratie begrenst het gevolg van die tweede. Of de dienst eenzijdig mag veranderen, volgt uit het wijzigingsbeding, getoetst aan artikel 6:233 sub a BW, met de grenzen van artikel 6:235 lid 1 en lid 3 BW voor grotere ondernemingen en voor wie zelf meermalen dezelfde voorwaarden gebruikt en artikel 6:248 lid 2 BW als terugvaloptie.

Zes bepalingen voor het volgende verlengingsmoment

Het artikel besluit met een concrete lijst: een reële kennisgevingstermijn aan een genoemd contactpersoon, bezwaar met een beëindigingsgevolg, een verbod op gebruik van uw gegevens voor training en modelverbetering, nieuwe verwerkingsfuncties standaard uit, een exitregeling met export en aantoonbare verwijdering bij subverwerkers, en aansprakelijkheid die de keten volgt. Voor bedrijven die klantgegevens onder geheimhouding houden, komt daar de eis van redelijke geheimhoudingsmaatregelen uit de Wet bescherming bedrijfsgeheimen bij.

Read more

Of u vijf jaar huurbescherming heeft, hangt af van één zin over het gebruik

Huur van bedrijfsruimte kent in Nederland twee regimes, en het verschil tussen die twee is groter dan bijna elk beding dat partijen zelf in hun contract opnemen. Aan de ene kant staat de bedrijfsruimte van artikel 7:290 BW: winkel, restaurant of café, afhaal- of besteldienst, ambachtsbedrijf, hotel of camping. Aan de andere kant staat al het overige — kantoor, praktijk, opslag, atelier, werkplaats — dat onder artikel 7:230a BW valt. De grens loopt over één voorwaarde in de wet, en die voorwaarde stelt een vraag die niet juridisch klinkt: is er in de verhuurde ruimte een voor het publiek toegankelijk lokaal waar rechtstreeks zaken worden geleverd of diensten worden verricht.

Vijf jaar bescherming of twee maanden klok

Het gevolg van die grens is scherp. Onder artikel 7:290 BW geldt de huurovereenkomst als hoofdregel voor vijf jaar en wordt zij daarna van rechtswege met vijf jaar verlengd, met afwijkingen voor een langere overeengekomen duur en voor korte huur. Zegt de verhuurder op tegen het einde van de eerste termijn, dan kan de rechter dat volgens artikel 7:296 BW slechts op twee gronden toewijzen: slecht huurderschap of dringend eigen duurzaam gebruik. Verkoop van het pand hoort daar niet bij; renovatie die zonder beëindiging van de huur onmogelijk is, wel. Onder artikel 7:230a BW is er geen termijnbescherming. Daar kan de huurder alleen om verlenging van de ontruimingstermijn vragen, binnen twee maanden na de schriftelijke ontruimingsaanzegging, met een maximum van drie jaar in stappen van een jaar en zonder hoger beroep tegen de beschikking.

De bestemmingsclausule doet het werk

Beslissend is waarvoor de ruimte volgens de huurovereenkomst is bestemd, niet wat het bestemmingsplan zegt of wat er op de gevel staat. Die contractuele bestemming wordt daarna getoetst aan een feitelijke voorwaarde: het publiek toegankelijke lokaal moet er werkelijk zijn. Zo'n inrichtingsbeslissing levert bewijs in een kwalificatiediscussie, maar verandert het regime niet uit zichzelf: daarvoor is een gewijzigde afspraak of voldoende duidelijke toestemming nodig, en gedogen is dat niet. Een webshop die op een bedrijventerrein een afhaalbalie opent, kan jaren later in een ander regime blijken te zitten dan het contract suggereert. Bij gecombineerd gebruik is eerst de vraag of de activiteiten samen één 290-bedrijf vormen en of het gehuurde splitsbaar is; pas bij werkelijk gemengd en niet-splitsbaar gebruik telt het zwaartepunt van het gebruik.

Wat u wel en niet kunt wegschrijven

Een clausule die afdeling 6 buiten toepassing verklaart, houdt in beginsel geen stand: artikel 7:291 BW verbiedt afwijking ten nadele van de huurder, tenzij de rechter het beding heeft goedgekeurd, en die goedkeuring wordt alleen gegeven als de rechten van de huurder niet wezenlijk worden aangetast of zijn maatschappelijke positie de bescherming overbodig maakt. Andersom besliste de Hoge Raad op 6 maart 2026 dat partijen afdeling 7.4.6 BW juist wel van toepassing kunnen verklaren op een ruimte die niet onder artikel 7:290 lid 2 BW valt. De bestemmingsclausule is daarom de bepaling waar de werkelijke ruimte zit. Welk van de twee ROZ-modellen is gebruikt, kiest het regime niet — bestemming, partijbedoeling en inrichting blijven beslissend — maar het model weegt in de uitleg wel zwaar mee. Dit artikel zet de wettelijke criteria naast elkaar, laat zien hoe de kwalificatie met het gebruik kan meebewegen, en geeft zeven vragen om vóór een verlenging of een opzegging langs de eigen huurovereenkomst te leggen.

Read more