Uw zakelijke klant betaalt een termijn niet: wanneer u mag stoppen met leveren onder het opschortingsrecht van artikel 6:52, 6:262 en 6:263 BW

Een machinebouwer levert een flowpack-verpakkingsmachine van 240.000 euro aan een koekjesfabriek. De eerste termijn is betaald, maar de factuur van 120.000 euro voor de tweede termijn blijft liggen. De fabriek meldt dat de sealbekken lekken en wil pas betalen als alles werkt; de monteurs van de machinebouwer stoppen met inregelen. Beide partijen beroepen zich op hetzelfde middel: het opschortingsrecht van artikel 6:262 BW. Wie heeft gelijk, en hoeveel mag ieder inhouden?

Wat de wet toestaat als de ander niet betaalt of gebrekkig levert

Komt een partij bij een wederkerige overeenkomst haar verbintenis niet na, dan mag de wederpartij haar eigen prestatie opschorten. Bij een gedeeltelijke of niet behoorlijke nakoming mag dat alleen voor zover de tekortkoming de opschorting rechtvaardigt. Hoeveel de fabriek mag inhouden, hangt af van de ernst van het gebrek. De herstelkosten zijn daarbij niet doorslaggevend: ook de bruikbaarheid van de machine en de druk om herstel af te dwingen bepalen of volledige inhouding gerechtvaardigd is. De machinebouwer kan alleen opschorten voor het deel dat de fabriek ten onrechte inhoudt. Wie eerst moet presteren, kan onder artikel 6:263 BW toch opschorten als na het sluiten van het contract feiten bekend worden die goede grond geven te vrezen dat de klant niet zal betalen. Het algemene opschortingsrecht van artikel 6:52 BW reikt verder, tot verbintenissen die voldoende samenhangen, bijvoorbeeld uit zaken die partijen regelmatig met elkaar doen.

Waar het opschortingsrecht stopt

Wie de wederpartij zelf verhindert na te komen, bijvoorbeeld door monteurs geen toegang te geven, mag niet opschorten (artikel 6:54 onder a BW). Zekerheidstelling beëindigt een opschorting onder 6:52, tenzij de voldoening daardoor onredelijk wordt vertraagd; volgens artikel 6:264 BW geldt die regel niet voor opschorting onder 6:262 en 6:263. Een beding in algemene voorwaarden dat de afnemer opschorting ontzegt, staat tegenover consumenten op de zwarte lijst; tussen bedrijven is het in beginsel geldig, onder toetsing aan de redelijkheid. En wie te ruim of ten onrechte opschort, schiet zelf tekort.

In het artikel leest u hoe de zaak van de koekjesfabriek afloopt, hoe het retentierecht van artikel 3:290 BW werkt voor zaken van de klant in uw werkplaats, en welk schema voor een rechtmatige opschorting u helpt om stil te leggen zonder zelf in verzuim te raken.

Read more

Incassokosten en handelsrente bij een zakelijke wanbetaler: de staffel van 27 maart 2012, de 10,40 procent van dit halfjaar en het arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2015 over uw incassobeding

Een zakelijke klant betaalt een factuur van 12.000 euro niet. Wat u daar wettelijk bovenop mag rekenen, staat op drie plekken: artikel 6:96 BW met het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van 27 maart 2012, en de artikelen 6:119a en 6:120 BW over de wettelijke handelsrente. Voor het tweede halfjaar van 2026 komt dat uit op 895 euro aan incassokosten en 10,40 procent rente per jaar, gemiddeld 104 euro per maand. Beide bedragen gelden zonder dat u er iets over heeft afgesproken; de rente loopt vanzelf, de volledige staffel vraagt eerst een aanmaning.

De staffel van het Besluit en het minimum van 40 euro bij handelsovereenkomsten

Het Besluit rekent 15 procent over de eerste 2.500 euro van de hoofdsom, daarna 10, 5, 1 en 0,5 procent over de volgende tranches, met een plafond van 6.775 euro. Bij een handelsovereenkomst is volgens artikel 6:96 lid 4 BW ten minste 40 euro verschuldigd zonder aanmaning, vanaf de dag na de uiterste betaaldag, en daarvan mag niet ten nadele van de schuldeiser worden afgeweken. De veertiendagenbrief geldt alleen voor consumenten; een bv of een zakelijk inkopende eenmanszaak heeft daar geen recht op.

Handelsrente van 10,40 procent en het arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2015

De handelsrente is de ECB-herfinancieringsrente vóór het begin van het halfjaar plus acht procentpunten. Met de ECB-stand van 2,40 procent sinds 17 juni 2026 is dat 10,40 procent voor het halfjaar dat op 1 juli 2026 begon; de verhoging naar 2,65 procent per 16 september 2026 werkt pas op 1 januari 2027 door. De rente loopt van rechtswege, zonder ingebrekestelling. Veel algemene voorwaarden bevatten daarnaast een eigen incassobeding van 15 procent. De Hoge Raad besliste op 10 juli 2015 (ECLI:NL:HR:2015:1868) dat zo'n beding tussen ondernemingen geldig is, maar dat de rechter het ambtshalve kan matigen tot het staffelbedrag, tenzij de schuldeiser stelt en aannemelijk maakt dat zijn werkelijke kosten hoger en redelijk waren.

Artikel 6:44 BW en de deelbetaling die het dossier niet sluit

Hetzelfde arrest bevestigt dat incassokosten onder artikel 6:44 lid 1 BW vallen: een betaling wordt eerst op de kosten, dan op de rente en pas daarna op de hoofdsom toegerekend. De klant die na een sommatie precies de hoofdsom overmaakt, laat daarmee een deel van de hoofdsom openstaan waarover de rente doorloopt. Het artikel sluit af met vijf dingen die u vóór de eerste aanmaning vastlegt, van de uiterste betaaldag en het ontvangstbewijs van de factuur tot de schriftelijke toerekening van elke deelbetaling.

Read more