Een machinebouwer uit Eindhoven verkoopt een flowpack-verpakkingsmachine aan een koekjesfabriek voor 240.000 euro. Het contract kent drie termijnen: 30 procent bij opdracht, 50 procent bij aflevering en 20 procent na de ingebruikname. De machine staat sinds september in de productiehal, de eerste termijn is betaald, maar de factuur van 120.000 euro voor de tweede termijn blijft liggen. De fabriek mailt dat de sealbekken lekken en dat zij pas betaalt als alles werkt. De monteurs van de machinebouwer stoppen intussen met het inregelen. Wie staat hier sterk? Het antwoord ligt in het opschortingsrecht van artikel 6:52 en 6:262 BW, dat beide partijen op hetzelfde moment inroepen.

Opschorten betekent dat u uw eigen prestatie tijdelijk inhoudt totdat de ander nakomt. De overeenkomst blijft bestaan; u zet alleen uw eigen verplichting stil, als drukmiddel en als zekerheid. Het is een van de meest gebruikte rechten in het handelsverkeer en tegelijk een van de riskantste: wie ten onrechte opschort, schiet zelf tekort. Eerder schreven we over incassokosten en handelsrente bij een zakelijke wanbetaler en over de klachtplicht bij een gebrekkige levering. Dit artikel gaat over wat daartussen ligt: mag u stoppen met leveren, installeren of betalen terwijl het geschil loopt?
Wat artikel 6:262 BW de machinebouwer en de klant bij een wederkerige overeenkomst toestaat
Bij een wederkerige overeenkomst, zoals koop, aanneming of dienstverlening, geldt artikel 6:262 BW. Lid 1 bepaalt dat als een partij haar verbintenis niet nakomt, de wederpartij de nakoming van haar daartegenover staande verplichtingen mag opschorten. Lid 2 voegt een belangrijke grens toe: bij gedeeltelijke of niet behoorlijke nakoming is opschorting alleen toegelaten voor zover de tekortkoming haar rechtvaardigt.
De volgorde is hier beslissend. Begin bij de fabriek, want haar inhouding bepaalt hoeveel ruimte de machinebouwer heeft. Een lekkende sealbek is een niet behoorlijke nakoming, dus de fabriek valt onder lid 2. Hoeveel zij mag inhouden, hangt af van de ernst van het gebrek, van de vraag of de machine bruikbaar is en van de functie van opschorting als drukmiddel om herstel af te dwingen. De herstelkosten zijn daarbij niet doorslaggevend. Lekken alleen enkele verpakkingen en kost herstel ongeveer 8.000 euro, dan is het moeilijk te verdedigen dat de volle 120.000 euro blijft liggen. Maakt de lekkage de hele lijn onbruikbaar, dan kan een veel groter deel van de termijn gerechtvaardigd ingehouden worden.
Pas daarna komt de machinebouwer aan de beurt. Voor het deel van de termijn dat de fabriek terecht inhoudt, kan hij geen opschorting inroepen; dat zou het drukmiddel van de fabriek tenietdoen, en wie een terechte opschorting met een eigen opschorting beantwoordt, kan daarmee zelf in de fout gaan. Het herstel van de sealbekken zelf mag hij al helemaal niet als pressiemiddel stilleggen, want dat is precies de prestatie waarop de fabriek wacht. Houdt de fabriek meer in dan het gebrek rechtvaardigt, dan kan opschorting van verdere werkzaamheden voor dat ongerechtvaardigd ingehouden deel mogelijk zijn, mits die werkzaamheden tegenover de betaling staan en de achterstand de opschorting rechtvaardigt.
Voor de fabriek speelt nog een tweede punt. Het gebrek moet tijdig en concreet bij de machinebouwer zijn gemeld, anders verliest zij haar rechten op grond van de klachtplicht van artikel 6:89 en 7:23 BW. Een vage mail dat "nog niet alles werkt" is daarvoor een zwakke basis.
Wanneer u al eerder mag stoppen: de onzekerheidsexceptie van artikel 6:263 BW
Vaak moet de ene partij eerst presteren. In ons voorbeeld levert de machinebouwer de machine af voordat de laatste 20 procent opeisbaar is. Artikel 6:263 BW geeft die partij toch een opschortingsrecht als na het sluiten van de overeenkomst omstandigheden te haren kennis komen die goede grond geven te vrezen dat de wederpartij niet zal nakomen. Denk aan een klant die ook andere leveranciers niet meer betaalt, een beslag op de bankrekening van de klant of een aangekondigde reorganisatie met uitstel van alle investeringen.
Twee dingen zijn daarbij beslissend. De omstandigheden moeten na het sluiten van de overeenkomst bekend zijn geworden; wie bij het tekenen al wist dat de klant krap zat, kan zich daar later niet op beroepen. En de vrees moet op feiten rusten, niet op een gevoel. Leg die feiten dus vast. Wilt u vervolgens van de overeenkomst af, dan biedt artikel 6:80 lid 1 onder c BW de weg: een schriftelijke aanmaning waarin u de gronden noemt en de klant een redelijke termijn geeft om te verklaren dat hij zal nakomen. Het versturen van die aanmaning is nog niet genoeg. Pas als de klant binnen die termijn niet verklaart dat hij zal nakomen, treden de gevolgen van niet-nakoming in, en ook dan moet aan de gewone voorwaarden voor ontbinding zijn voldaan.
Opschorten buiten één contract: samenhang onder artikel 6:52 BW en het retentierecht van artikel 3:290 BW
Het algemene opschortingsrecht van artikel 6:52 BW gaat verder dan één wederkerige overeenkomst. Een schuldenaar die een opeisbare vordering op zijn schuldeiser heeft, mag zijn eigen prestatie opschorten als er voldoende samenhang is. Volgens lid 2 kan die samenhang onder meer bestaan als de verbintenissen voortvloeien uit dezelfde rechtsverhouding of uit zaken die partijen regelmatig met elkaar doen. Een machinebouwer die ook het jaarlijkse onderhoud van twee oudere lijnen bij dezelfde fabriek verzorgt, kan dat onderhoud dus in beginsel opschorten zolang de facturen voor de nieuwe machine openstaan.
Houdt u een zaak van de klant onder u, zoals een matrijs, een ingestuurd onderdeel of een machine die in uw werkplaats staat voor reparatie, dan gaat het om het retentierecht van artikel 3:290 BW. Op grond van artikel 6:57 BW zijn de regels over opschorting daarop van toepassing, voor zover de regeling van het retentierecht in Boek 3 niet afwijkt.
Wanneer opschorten niet mag: artikel 6:54, 6:55 en 6:264 BW
De wet sluit opschorting in een aantal gevallen uit. Volgens artikel 6:54 onder a BW mag u niet opschorten voor zover de nakoming door de wederpartij wordt verhinderd door uw eigen schuldeisersverzuim. Weigert de koekjesfabriek de monteurs toegang tot de hal om de sealbekken te vervangen, dan kan zij haar betaling niet langer inhouden met een beroep op dat gebrek. Artikel 6:54 onder b en c (blijvende onmogelijkheid, vorderingen waarop geen beslag mogelijk is) en artikel 6:55 BW (het vervallen van het recht zodra zekerheid is gesteld, tenzij de voldoening daardoor onredelijk zou worden vertraagd) gelden volgens artikel 6:264 BW niet voor opschorting op grond van 6:262 en 6:263. Stelt de fabriek een bankgarantie voor de openstaande termijn, dan vervalt een opschorting van de machinebouwer die alleen op 6:52 rust, tenzij de betaling daardoor onredelijk zou worden vertraagd. Voor zijn opschorting onder 6:262 geldt die regel niet.
Ook contractueel kan het opschortingsrecht worden beperkt. Veel algemene voorwaarden van leveranciers bepalen dat de afnemer "niet bevoegd is tot opschorting of verrekening". Tegenover een consument staat de uitsluiting van opschorting op de zwarte lijst van artikel 6:236 onder c BW; voor de uitsluiting van verrekening geldt de grijze lijst van artikel 6:237 onder g BW. Tussen bedrijven is het in beginsel geldig, maar de rechter kan het toetsen aan de open norm van artikel 6:233 onder a BW en aan de redelijkheid en billijkheid van artikel 6:248 lid 2 BW. Of uw voorwaarden überhaupt gelden, leest u in ons stuk over algemene voorwaarden bij een order per e-mail.
Hoe u opschort zonder zelf in verzuim te raken
Een onterechte of te ruime opschorting is zelf een tekortkoming. De machinebouwer die stopt terwijl de klant wel heeft betaald, of die ook het onderhoud aan een geheel losstaande vestiging stillegt, loopt het risico dat de klant hem in gebreke stelt en ontbindt. Dit schema helpt om dat te voorkomen:
- Controleer of uw eigen vordering opeisbaar is: is de factuurtermijn verstreken en is de mijlpaal uit het contract echt bereikt?
- Bepaal welke verplichting u stillegt en of die tegenover de onbetaalde prestatie staat (6:262) of daarmee voldoende samenhangt (6:52).
- Houd de omvang in verhouding: schort niet meer op dan de achterstand of het gebrek rechtvaardigt.
- Meld de opschorting schriftelijk, met het openstaande bedrag, de verplichting die u stillegt en wat de klant moet doen om haar op te heffen. De wet vraagt dat niet uitdrukkelijk, maar het voorkomt discussie en levert bewijs op.
- Kijk in de algemene voorwaarden van beide partijen of opschorting is uitgesloten of juist is uitgebreid.
- Ga eerst na of de klant zelf terecht een deel inhoudt, bijvoorbeeld wegens een gebrek, en schort alleen op voor het deel dat daarbuiten valt. Herstel waarop de klant wacht, legt u niet stil.
- Hervat direct zodra er betaald is of zekerheid is gesteld waar dat de opschorting beëindigt.
Voor de koekjesfabriek kan dat in de praktijk zo uitpakken. De machinebouwer vervangt de sealbekken op eigen kosten en laat schriftelijk weten dat hij het verdere inregelen hervat zodra het deel van de termijn is betaald dat niet door het gebrek wordt gedekt. Hoe groot dat deel is, hangt af van hoe ernstig de lekkage is en of de lijn ermee kan draaien. Blijft de fabriek ook na het herstel de hele termijn weigeren, dan schiet zij zelf tekort en kan de machinebouwer een incassotraject starten. Bij een langdurige leverrelatie zonder einddatum speelt ook de vraag of u de relatie kunt beëindigen; zie daarvoor ons artikel over een leveranciersrelatie zonder opzegbepaling opzeggen.
Benieuwd hoe opschorting, verrekening en betalingstermijnen in uw eigen contract of in de voorwaarden van uw leverancier zijn geregeld? Met onze contractscan ziet u snel welke bepalingen erin staan en waar ze voor u knellen, zodat u bij een volgende onbetaalde factuur weet waar u staat.
Bronnen: artikel 6:52 BW; artikel 6:54 BW; artikel 6:55 BW; artikel 6:57 BW; artikel 6:80 BW; artikel 6:236 BW; artikel 6:237 BW; artikel 6:262 BW; artikel 6:263 BW; artikel 6:264 BW; artikel 3:290 BW. Wetteksten geraadpleegd op 11 oktober 2026 (geldende versie van Boek 6 per 16 juli 2026). Het voorbeeld van de machinebouwer is fictief.