Een leveranciers- of distributierelatie zonder opzegbepaling opzeggen: zwaarwegende grond, opzegtermijn en schadevergoeding volgens de Hoge Raad van 28 oktober 2011 en 2 februari 2018

De samenwerking loopt negen jaar. Er is nooit één document getekend waarin staat hoe zij eindigt: offertes, jaarlijkse prijsafspraken, en een raamovereenkomst uit het derde jaar die over opzegging zwijgt. Nu wil de ene partij eruit, met een termijn van een maand. De andere partij kocht in die negen jaar een machine die alleen voor deze afnemer draait, nam twee mensen aan en betaalde een certificering die zij verder nergens gebruikt.

Want opzeggen mag, in beginsel. De vraag is op welke grond, met welke termijn, en of er iets bij moet. Die drie vragen beantwoordt de Hoge Raad in een vaste formule, en het loont die formule woord voor woord te kennen voordat u de brief verstuurt.


Wat de Hoge Raad op 28 oktober 2011 besliste in De Ronde Venen/Stedin

In Gemeente De Ronde Venen/Stedin (ECLI:NL:HR:2011:BQ9854) ging het om een overeenkomst uit 1989 over energieleidingen in gemeentegrond, aangegaan voor onbepaalde tijd, zonder opzegregeling. De Hoge Raad zette de maatstaf neer die sindsdien in vrijwel elke opzeggingsprocedure wordt aangehaald. Of en onder welke voorwaarden een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd opzegbaar is, wordt bepaald door de inhoud van de overeenkomst en door de wet. Voorzien wet noch overeenkomst in een opzegregeling, dan geldt dat de overeenkomst in beginsel opzegbaar is. Daarna komt de correctie: de eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen, gelet op de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval, meebrengen dat opzegging alleen mogelijk is als daarvoor een voldoende zwaarwegende grond bestaat. Uit diezelfde eisen kan voortvloeien dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen, of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een schadevergoeding.

Drie dingen zitten dus in één regel: een grond, een termijn en een bedrag. Ze gelden niet alle drie tegelijk. In de ene zaak is de grond het probleem, in de andere is de grond onbetwist maar de termijn te kort. De Hoge Raad bevestigde deze lijn op 14 juni 2013 in Auping/Beverslaap (ECLI:NL:HR:2013:BZ4163), in een distributieverhouding tussen een beddenfabrikant en een winkelketen. De grondslag is de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid van artikel 6:248 lid 1 BW.


Wat Goglio/SMQ op 2 februari 2018 toevoegt als het contract wél een opzegregeling kent

De meeste ondernemers denken dat de discussie voorbij is zodra er een opzegbeding in het contract staat. Dat klopt grotendeels, en de nuance zit in het woord "grotendeels". In Goglio/SMQ Europe (ECLI:NL:HR:2018:141) besliste de Hoge Raad dat ook wanneer wet of overeenkomst wél in een opzegregeling voorzien, de eisen van redelijkheid en billijkheid aan een opzegging in de weg kunnen staan of aanvullende eisen kunnen stellen — maar alleen voor zover de wet en het overeengekomene daarvoor ruimte laten. Het beding is dus het uitgangspunt. Wie een netjes nagekomen contractuele opzegtermijn wil aanvechten, moet langs de beperkende werking van artikel 6:248 lid 2 BW, met de zwaardere maatstaf dat het beroep op dat beding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Een uitgeschreven opzegregeling is daarmee aanzienlijk sterker dan geen regeling, ook als de termijn u bij het tekenen lang leek — zie over die bedingen bij doorlopende contracten de eerdere post over opzegbedingen bij stilzwijgend verlengde jaarcontracten.


Waarom de rechter kijkt naar uw relatiespecifieke investeringen en niet alleen naar de looptijd

Rechters wegen bij de redelijke opzegtermijn onder meer de duur van de relatie, de mate van afhankelijkheid, de omzet die ermee gemoeid is, wat over en weer is gezegd, en de investeringen die de opgezegde partij voor de samenwerking heeft gedaan. Die laatste factor is de interessantste, want daar zit een economisch begrip in dat het recht niet zo noemt maar wel toepast: de investering die alleen binnen deze relatie waarde heeft. Een vrachtwagen kunt u verkopen. Een productielijn die is ingericht op de verpakkingsmaat van één afnemer, een softwarekoppeling die op één inkoopsysteem is gebouwd, een certificering die één klant eiste — die vertegenwoordigen buiten de relatie een fractie van hun waarde.

Daaruit volgt een anker dat in onderhandelingen zelden wordt gebruikt, terwijl beide partijen het kunnen nalezen: de afschrijvingstermijn in de jaarrekening van de opgezegde partij. Die termijn is niet door een advocaat gekozen, staat al jaren vast, is door een accountant gezien en zegt hoeveel tijd die partij zelf nodig achtte om de investering terug te verdienen. Een resterende boekwaarde van achttien maanden op een machine die alleen voor deze afnemer draait, is een concreter argument voor een opzegtermijn dan welke redelijkheidsredenering ook. Het werkt beide kanten op: staat de investering al volledig afgeschreven, dan verliest het beroep op "wij hebben geïnvesteerd" veel van zijn kracht. Vraag de laatste gedeponeerde jaarrekening dus op bij het handelsregister voordat u de termijn bepaalt.


Agentuur of distributie: waarom artikel 7:437 en 7:442 BW soms wel en soms niet gelden

Er is één categorie waarin de wet het werk al heeft gedaan. Bemiddelt uw wederpartij bij het tot stand brengen van overeenkomsten voor uw rekening, tegen provisie, dan is er mogelijk sprake van een agentuurovereenkomst in de zin van artikel 7:428 BW. Dan gelden de dwingende opzegtermijnen van artikel 7:437 BW — bij gebreke van een afspraak in beginsel vier maanden, oplopend met de duur van de overeenkomst — en heeft de agent bij het einde onder voorwaarden recht op de klantenvergoeding van artikel 7:442 BW, die ten hoogste de beloning van één jaar bedraagt, berekend naar het gemiddelde van de laatste vijf jaren.

Koopt uw wederpartij daarentegen voor eigen rekening in en verkoopt zij door, dan is het een distributieovereenkomst, en die is in de wet niet geregeld. De agentuurbepalingen worden daarop niet als vanzelf analoog toegepast; de rechter valt terug op de open norm uit De Ronde Venen/Stedin. Het onderscheid loopt niet over het opschrift van het contract maar over de feitelijke rolverdeling: wie draagt het voorraadrisico, op wiens naam worden de overeenkomsten met de eindklant gesloten, wie bepaalt de verkoopprijs. Beantwoord die vraag eerst, want het antwoord bepaalt of u met een dwingendrechtelijke termijn te maken heeft of met een open weging.


Zeven vragen voordat de opzeggingsbrief de deur uitgaat

  1. Is het een agentuurovereenkomst? Loopt de verkoop aan de eindklant op naam en voor rekening van uw wederpartij, dan is het dat niet; loopt zij op uw naam tegen provisie, dan waarschijnlijk wel, en gelden artikel 7:437 en 7:442 BW.
  2. Staat er ergens toch een opzegregeling? Kijk niet alleen in de raamovereenkomst, maar ook in de algemene voorwaarden, de laatste getekende offerte en de e-mail waarin de jaarafspraken werden bevestigd.
  3. Wilt u opzeggen of ontbinden? Opzegging beëindigt voor de toekomst en heeft geen tekortkoming nodig. Ontbinding op grond van artikel 6:265 BW veronderstelt een tekortkoming en meestal verzuim, en werkt anders uit. Bij een vastgelopen verhouding zonder tekortkoming bestaat daarnaast de zware route van artikel 6:258 BW, waarbij de rechter de overeenkomst wegens onvoorziene omstandigheden wijzigt of ontbindt. Wie het ene schrijft en het andere bedoelt, verzwakt beide.
  4. Welke grond heeft u, en is die opgeschreven? Structureel achterblijvende afname, herhaalde kwaliteitsklachten en een strategische koerswijziging zijn gronden met een verschillend gewicht. Een grond die pas in de procedure wordt bedacht, overtuigt zelden.
  5. Welke termijn past bij de investeringen aan de andere kant? Kijk naar de resterende afschrijving op de activa die voor deze samenwerking zijn aangeschaft.
  6. Wat gebeurt er met lopende orders, voorraad en garanties? Regel in de brief zelf hoe geplaatste orders worden uitgeleverd, of u restvoorraad terugneemt en tegen welke prijs, en wie de garanties aan eindklanten afwikkelt.
  7. Bent u bereid iets aan te bieden? Een vergoeding naast een kortere termijn is een geldige route uit De Ronde Venen/Stedin, en vaak goedkoper dan een termijn van een jaar.


Als de brief al verstuurd is, of al bij u binnen is

Heeft u zelf opgezegd met een termijn die achteraf krap oogt, dan is de schade meestal nog te beperken: een aanvullend bericht waarin u de termijn verlengt of een vergoeding aanbiedt, verandert de weging aanzienlijk. Ligt de opzegging bij u op de mat, reageer dan schriftelijk en snel, op drie punten afzonderlijk: dat u de grond betwist, dat de termijn te kort is gelet op benoemde investeringen, en dat u aanspraak maakt op vergoeding van de schade die u door die korte termijn lijdt. Noem bedragen en data, geen algemeenheden. Wie stilzwijgend meewerkt aan de afbouw en pas na afloop protesteert, staat er bewijsrechtelijk zwakker voor. Kijk in dezelfde week ook naar wat de ander na afloop nog met uw materiaal en uw knowhow mag doen — daarover ging de eerdere post over de kennisclausule.

Heeft u een samenwerking waarvan u niet zeker weet wat er over beëindiging is afgesproken, leg het contract dan eens naast de contractscan van JAVB. Die leest de stukken door en zegt u waar de opzegbepaling staat, wat er precies mist en welke tekst u zou kunnen voorstellen. Gaat het om een bedrijfspand, dan is er de huurcontractcheck. Het kost een half uur en het scheelt u het gesprek dat u anders pas voert als de brief er al ligt.