Huurcontract bedrijfsruimte checken in 2026: looptijd, opzegging, huurprijsindexering en huurprijsherziening na vijf jaar (artikel 7:292, 7:293 en 7:303 BW)

U tekent voor een winkelpand een huurovereenkomst op het ROZ-model, vijf jaar plus vijf jaar, met een jaarlijkse huurprijsaanpassing volgens de indexeringsbepaling van het model. In jaar vier wilt u weg, in jaar zes vindt u de huur te hoog vergeleken met de buren. Wat er dan kan, staat in de wet, in het model en in de bijzondere bepalingen. Dit artikel gaat verder waar het stuk van 24 augustus over de bestemmingsclausule ophield: u valt onder artikel 7:290 BW, en nu wilt u weten wat het contract met de looptijd, de opzegging en de huurprijs doet.

Looptijd, verlenging en opzegging: artikel 7:292, 7:293, 7:296 en 7:301 BW

Een huurovereenkomst bedrijfsruimte geldt als hoofdregel voor vijf jaar, of langer als dat is afgesproken; een overeenkomst van vijf jaar wordt van rechtswege met vijf jaar verlengd, een langere eerste duur tot in totaal tien jaar; na tien jaar loopt zij voor onbepaalde tijd door, tenzij het contract iets anders regelt. Een contract van twee jaar of korter valt buiten die regels, tot het gebruik langer duurt: dan ontstaat als hoofdregel van rechtswege een vijfjaarscontract. Bij zo'n vijfjaarscontract kan de huurder alleen tegen het einde van een termijn opzeggen, bij exploot of aangetekende brief, met ten minste een jaar; wie in jaar vier weg wil, zit al aan de grens. De verhuurder moet gronden noemen en kan tegen het einde van de eerste vijf jaar alleen beëindigen als de bedrijfsvoering van de huurder niet is geweest zoals een goed huurder betaamt, of bij dringend eigen gebruik. Een afwijking ten nadele van de huurder is zonder goedkeuring van de kantonrechter vernietigbaar.

Huurprijsindexering sinds het ROZ-keuzemenu van 10 april 2024 en huurprijsherziening na vijf jaar (artikel 7:303 BW)

De indexering is een contractafspraak; de wet regelt haar niet. Sinds 10 april 2024 bieden de ROZ-modellen, na gesprekken met de ACM, een keuzemenu (artikel 4.5 in het model 2022, artikel 4.7 in het model 2025): CPI, een vast percentage, een index naar keuze of geen automatische aanpassing; is een ouder model met de oude CPI-bepaling overeengekomen en ongewijzigd gelaten, dan blijft die bepaling gelden. Daarnaast volgt de huurprijsherziening van artikel 7:303 BW de markt: zowel huurder als verhuurder kan na afloop van de overeengekomen duur, en daarna telkens na vijf jaar, de rechter vragen de huur nader vast te stellen naar het gemiddelde van vergelijkbare bedrijfsruimte ter plaatse over de voorafgaande vijf jaar, met een deskundigenadvies als voorwaarde volgens artikel 7:304 BW. Het artikel sluit af met zes controlepunten en de huurcontractcheck van JAVB, die het contract per clausule groen, oranje of rood kleurt.

Read more

Cyberbeveiligingswet sinds 15 augustus 2026: wanneer uw holding en dochters meetellen bij de grens van 50 fte en 10 miljoen euro

Of uw bedrijf onder de Cyberbeveiligingswet valt, hangt sinds 15 augustus 2026 af van uw sector en van uw omvang. Voor die omvang verwijzen artikel 8 en artikel 12 van de wet naar de mkb-definitie van de Europese Commissie uit 2003: wie 50 of meer fte heeft, of met minder dan 50 fte zowel een jaaromzet als een balanstotaal boven 10 miljoen euro, is groot genoeg en valt binnen de sectoren van bijlage 1 en 2 onder de wet; wie daaronder blijft, valt er alleen onder als zijn soort dienst zonder omvangseis is aangewezen. Veel ondernemers rekenen die toets met de cijfers van hun eigen werkmaatschappij. Dat is de fout die dit artikel uitlegt.

Wanneer uw holding, uw dochter en een ander bedrijf van dezelfde eigenaar meetellen: artikel 3 en artikel 6 van de bijlage

De bijlage bij Aanbeveling 2003/361/EG onderscheidt zelfstandige, partner- en verbonden ondernemingen. Een partner houdt 25 procent of meer van kapitaal of stemrechten; een verbonden onderneming heeft een meerderheids- of zeggenschapsband, ook als die via dezelfde natuurlijke persoon loopt en de bedrijven op dezelfde of een verwante markt actief zijn. Artikel 6 zegt hoe u rekent: partners naar rato erbij, verbonden ondernemingen voor 100 procent. Het NCSC zegt het in één zin op zijn reikwijdtepagina: tel ook partner- en verbonden ondernemingen mee bij medewerkers, jaaromzet en balanstotaal. Een installatiebedrijf met 38 eigen fte en een zuster met 25 fte waarin de holding 60 procent houdt, komt zo op 63 fte en boven de grens uit.

Hoe u de toets deze maand zelf doet en vastlegt: vijf stappen

Het artikel loopt ook langs wat de Cyberbeveiligingswet uit de aanbeveling schrapt, namelijk de regel dat een onderneming met een overheidsaandeelhouder van 25 procent of meer niet als mkb kan gelden, en wat zij laat staan: de referentieperiode van het laatste afgesloten boekjaar en de regel dat een drempel pas na twee opeenvolgende boekjaren telt. Daarna volgen vijf stappen om de omvangstoets te doen en met datum vast te leggen: de structuur tekenen, elke lijn kwalificeren, rekenen volgens artikel 6, de RDI-zelfevaluatie invullen met de opgetelde cijfers, en de uitkomst bewaren.

Wat er verandert als de toets "ja" zegt: registratie, zorgplicht en uw eigen leveranciers

Is het antwoord "ja", dan gelden drie plichten tegelijk: registratie bij het NCSC, de zorgplicht van artikel 21 Cyberbeveiligingswet zoals het Cyberbeveiligingsbesluit die uitwerkt, en de meldplicht voor significante incidenten van artikel 25 en volgende. Onderdeel van die zorgplicht is het beheersen van de beveiligingsrisico's in uw eigen toeleveringsketen onder artikel 10 van dat besluit, met de acceptatietest uit het artikel over artikel 7:17 BW als praktisch hulpmiddel. Is het antwoord "nee", dan bereikt de wet u zoals op 20 augustus beschreven via de contracten van klanten die er wél onder vallen.

Read more

AI-tools op de werkvloer en de derde eis van artikel 1 Wbb: welke maatregelen uw bedrijfsgeheim in stand houden

Een accountmanager plakt op dinsdagmiddag de calculatie van vorig jaar, de inkoopprijzen van drie toeleveranciers en een conceptofferte in een gratis chatbot, om te laten controleren of de opbouw klopt. Er wordt niets geforceerd en niets meegenomen. Een jaar later gaat dezelfde afnemer met een concurrent in zee die opvallend dicht bij die prijsopbouw zit, en dan begint het onderzoek bij de eigen onderneming: was die calculatie op dat moment nog een bedrijfsgeheim?

Artikel 1 Wbb stelt drie eisen, en de derde gaat over uw eigen gedrag

De Wet bescherming bedrijfsgeheimen van 17 oktober 2018, in werking op 23 oktober 2018 ter uitvoering van Richtlijn (EU) 2016/943, noemt drie cumulatieve voorwaarden. De informatie moet geheim zijn, zij moet handelswaarde bezitten omdat zij geheim is, en zij moet door de rechtmatige houder zijn onderworpen aan redelijke maatregelen, gezien de omstandigheden, om haar geheim te houden. De eerste twee eisen zijn eigenschappen van de informatie. De derde is een redelijkheidstoets over uw eigen handelen: de rechter weegt het samenstel van maatregelen en hun feitelijke werking, gezien de omstandigheden. Eén ongeoorloofde invoer beëindigt de bescherming dus niet automatisch, al kan een patroon van ongecontroleerde verspreiding het samenstel wel onderuithalen. Daarin verschilt een bedrijfsgeheim van een octrooi of een merk, waar de aanspraak in een register vastligt en slordigheid overleeft; hier moet de houder de bescherming blijven onderhouden. De vergelijking met een preventieve garantie in een verzekeringspolis gaat maar ten dele op, en wijst vooral de richting waarin de bewijslast loopt: het gaat om wat er in de organisatie feitelijk gebeurde.

Waarom tools met kunstmatige intelligentie deze eis raken, en waar het in de voorwaarden zit

Wie een document in zo'n tool plakt, verplaatst het naar de infrastructuur van een derde partij. Vier variabelen lopen daarbij door elkaar: training op invoer, bewaartermijn, inzage door medewerkers van de aanbieder, en de contractuele bescherming. Elk daarvan is per product en per accounttype anders geregeld en verandert met enige regelmaat, dus de vuistregel dat gratis onveilig is en betaald veilig, houdt geen stand. Wat telt is welk product met welke instellingen is toegestaan en of dat op de gebruiksdatum is vastgelegd. In een geschil luidt het eerste verweer dat gevoelige documenten routinematig in publieke tools werden ingevoerd; slaagt dat, dan kan de zaak op de definitie eindigen.

Twee keer gewogen, en wat de arbeidsovereenkomst hierover kan regelen

Haalt u de drempel wel, dan kan de rechter op grond van artikel 5 en 6 Wbb staking bevelen, beslag toestaan en vernietiging of afgifte van bestanden gelasten. Artikel 7 lid 1 onderdeel b Wbb weegt daarbij opnieuw welke beschermingsmaatregelen zijn genomen. Intern volstaat vaak het instructierecht van artikel 7:660 BW: een gedateerde, aantoonbaar verstrekte lijst van toegestane tools. Bij het boetebeding gelden de strenge eisen van artikel 7:650 BW, met een weekmaximum en een maximum per afzonderlijke boete van een halve dag loon, en artikel 7:651 BW verbiedt om ter zake van hetzelfde feit zowel boete te heffen als schadevergoeding te vorderen. Het artikel sluit af met zes controles op het personeelsreglement, de arbeidsovereenkomsten en de NDA's die u zelf hebt getekend, en sluit aan op het eerdere stuk over de kennisclausule.

Read more

Wiens algemene voorwaarden gelden bij een order per e-mail: artikel 6:225 lid 3 BW en het arrest First Data/Attingo van 11 februari 2011

Een leverancier stuurt maandag een offerte waarin staat dat zijn algemene voorwaarden op de website te vinden zijn. De klant antwoordt woensdag met een inkooporder uit zijn eigen pakket, met de eigen inkoopvoorwaarden als PDF erbij. Er wordt geleverd en betaald. Maanden later, bij een claim, blijkt de uitkomst af te hangen van twee vragen die toen al beslist waren: welke set voorwaarden hoort bij deze overeenkomst, en of de partij die zich erop beroept ze op tijd heeft afgegeven. Die vragen staan los van elkaar, en ondernemers behandelen ze als één.

Artikel 6:225 lid 3 BW geeft de eerste verwijzing voorrang

Verwijzen aanbod en aanvaarding naar verschillende algemene voorwaarden, dan komt aan de tweede verwijzing geen werking toe, tenzij daarbij de toepasselijkheid van de eerste set uitdrukkelijk van de hand wordt gewezen. Nederland volgt daarmee de regel van de eerste verwijzing. Dat verplaatst het zwaartepunt naar de volgorde waarin uw verkoop- en inkoopproces documenten verstuurt: de offerte gaat meestal als eerste de deur uit, en wie inkoopt verandert die verhouding pas door zelf te beginnen met een aanvraag of raamorder. In een organisatie die haar inkoop via een ERP-pakket doet, ligt die keuze vast in de inrichting van een documentsjabloon. De van-de-handwijzing hoort zichtbaar in het orderdocument zelf te staan, op de plek waar iemand hem leest.

Toepasselijkheid en terhandstelling zijn twee verschillende gevechten

Is de toepasselijkheid rond, dan begint de vraag of de gebruiker een redelijke mogelijkheid tot kennisneming heeft geboden. In HR 11 februari 2011 (First Data/Attingo) oordeelde de Hoge Raad dat het niet volstaat om de wederpartij naar het internet te verwijzen om de voorwaarden zelf op te zoeken; de gebruiker moet het initiatief nemen. Artikel 6:234 BW laat elektronische terhandstelling toe bij een langs elektronische weg gesloten overeenkomst, mits de voorwaarden zo beschikbaar komen dat opslaan en later raadplegen mogelijk is. Een meegestuurde PDF voldoet, en een directe link naar de geldende versie kan eveneens voldoen; een algemene verwijzing naar een website waar de lezer zelf de juiste set moet uitzoeken, haalt die maatstaf niet. Een wederpartij bij wie ten tijde van het sluiten van de overeenkomst vijftig of meer personen werkzaam waren, of die als rechtspersoon in de zin van artikel 2:360 BW toen laatstelijk haar jaarrekening had gepubliceerd, mist dit verweer op grond van artikel 6:235 lid 1 BW; lid 3 doet dat alleen bij gebruik van dezelfde of nagenoeg dezelfde voorwaarden als de ingeroepen set, wat de hoven beperkt uitleggen. Na HR 1 oktober 1999 (Geurtzen/Kampstaal) kan bekendheid met het beding een beroep op vernietiging bovendien alsnog blokkeren.

Zes controles op uw eigen orderstroom

Het artikel sluit af met een concrete lijst: wie in elke relatie het eerste document verstuurt, of de van-de-handwijzing in dat document zelf staat, of de PDF automatisch meegaat vanuit het offerte- of ERP-sjabloon, welke versie geldt en waar eerdere versies vindbaar zijn, hoe lang verzonden berichten met bijlagen bewaard blijven gelet op verjarings- en bewaartermijnen, en of uw voorwaarden aansluiten op wat uw administratie later kan aantonen. Bij grensoverschrijdende inkoop verschuift het speelveld: artikel 6:247 lid 2 BW zet afdeling 6.5.3 opzij bij een buitenlandse wederpartij, en voor zover het Weens Koopverdrag van toepassing is en niet is uitgesloten, bepaalt artikel 19 van dat verdrag wanneer een aanvaarding met afwijkende voorwaarden nog aanvaarding is.

Read more

Uw softwareleverancier zet AI aan: bezwaar onder artikel 28 lid 2 AVG, en wat uw wijzigingsbeding daarna nog waard is

De leverancier van uw planningspakket, boekhoudsysteem of helpdesk kondigt nieuwe functies aan die werkbonnen samenvatten, offerteteksten voorstellen en klantvragen beantwoorden. Onderaan het servicebericht staat de zin die er juridisch toe doet: voor die functies wordt een nieuwe partij ingeschakeld die de gegevens verwerkt, en wie binnen dertig dagen geen bezwaar maakt, wordt geacht in te stemmen. Die aankondiging breidt de kring van partijen uit die bij uw klantgegevens kunnen, en vaak ook de doeleinden waarvoor die gegevens worden gebruikt.

Wat artikel 28 lid 2 AVG wel en niet regelt

Bijna elke verwerkersovereenkomst die een mkb-bedrijf tekent, bevat een algemene schriftelijke toestemming voor toekomstige subverwerkers. In dat geval verplicht de AVG de leverancier alleen om u te informeren over een voorgenomen toevoeging of vervanging en om u de gelegenheid te geven bezwaar te maken. Over het gevolg van dat bezwaar zwijgt de verordening: geen vetorecht, geen opschorting, geen ontbindingsrecht. De contractuele uitkomst hangt af van het beding in uw eigen overeenkomst, terwijl u volgens de EDPB-opinie 22/2024 zelf verantwoordelijk blijft voor de beoordeling of de nieuwe partij voldoende garanties biedt. Daarnaast blijft de leverancier op grond van artikel 28 lid 4 AVG volledig aansprakelijk voor het nakomen van de verplichtingen van de partij die hij inschakelt, en geldt hij op grond van lid 10 zelf als verwerkingsverantwoordelijke zodra hij doel en middelen van een verwerking bepaalt — bijvoorbeeld door met uw klantgegevens een eigen model te trainen.

Verwerkersrecht en verbintenissenrecht lopen naast elkaar

In deze gesprekken blijft artikel 6:76 BW meestal onbesproken. Wie bij de uitvoering van een verbintenis gebruikmaakt van de hulp van anderen, is voor hun gedragingen op gelijke wijze aansprakelijk als voor eigen gedragingen. Uw leverancier koos de subverwerker. Voor zover die partij wordt ingezet bij de uitvoering van wat de leverancier heeft beloofd en haar handelen bij de leverancier zelf een tekortkoming zou opleveren, wordt het aan hem toegerekend. Het verwerkersrecht geeft een informatieplicht, het verbintenissenrecht een toerekeningsregel, en een ruime exoneratie begrenst het gevolg van die tweede. Of de dienst eenzijdig mag veranderen, volgt uit het wijzigingsbeding, getoetst aan artikel 6:233 sub a BW, met de grenzen van artikel 6:235 lid 1 en lid 3 BW voor grotere ondernemingen en voor wie zelf meermalen dezelfde voorwaarden gebruikt en artikel 6:248 lid 2 BW als terugvaloptie.

Zes bepalingen voor het volgende verlengingsmoment

Het artikel besluit met een concrete lijst: een reële kennisgevingstermijn aan een genoemd contactpersoon, bezwaar met een beëindigingsgevolg, een verbod op gebruik van uw gegevens voor training en modelverbetering, nieuwe verwerkingsfuncties standaard uit, een exitregeling met export en aantoonbare verwijdering bij subverwerkers, en aansprakelijkheid die de keten volgt. Voor bedrijven die klantgegevens onder geheimhouding houden, komt daar de eis van redelijke geheimhoudingsmaatregelen uit de Wet bescherming bedrijfsgeheimen bij.

Read more

Of u vijf jaar huurbescherming heeft, hangt af van één zin over het gebruik

Huur van bedrijfsruimte kent in Nederland twee regimes, en het verschil tussen die twee is groter dan bijna elk beding dat partijen zelf in hun contract opnemen. Aan de ene kant staat de bedrijfsruimte van artikel 7:290 BW: winkel, restaurant of café, afhaal- of besteldienst, ambachtsbedrijf, hotel of camping. Aan de andere kant staat al het overige — kantoor, praktijk, opslag, atelier, werkplaats — dat onder artikel 7:230a BW valt. De grens loopt over één voorwaarde in de wet, en die voorwaarde stelt een vraag die niet juridisch klinkt: is er in de verhuurde ruimte een voor het publiek toegankelijk lokaal waar rechtstreeks zaken worden geleverd of diensten worden verricht.

Vijf jaar bescherming of twee maanden klok

Het gevolg van die grens is scherp. Onder artikel 7:290 BW geldt de huurovereenkomst als hoofdregel voor vijf jaar en wordt zij daarna van rechtswege met vijf jaar verlengd, met afwijkingen voor een langere overeengekomen duur en voor korte huur. Zegt de verhuurder op tegen het einde van de eerste termijn, dan kan de rechter dat volgens artikel 7:296 BW slechts op twee gronden toewijzen: slecht huurderschap of dringend eigen duurzaam gebruik. Verkoop van het pand hoort daar niet bij; renovatie die zonder beëindiging van de huur onmogelijk is, wel. Onder artikel 7:230a BW is er geen termijnbescherming. Daar kan de huurder alleen om verlenging van de ontruimingstermijn vragen, binnen twee maanden na de schriftelijke ontruimingsaanzegging, met een maximum van drie jaar in stappen van een jaar en zonder hoger beroep tegen de beschikking.

De bestemmingsclausule doet het werk

Beslissend is waarvoor de ruimte volgens de huurovereenkomst is bestemd, niet wat het bestemmingsplan zegt of wat er op de gevel staat. Die contractuele bestemming wordt daarna getoetst aan een feitelijke voorwaarde: het publiek toegankelijke lokaal moet er werkelijk zijn. Zo'n inrichtingsbeslissing levert bewijs in een kwalificatiediscussie, maar verandert het regime niet uit zichzelf: daarvoor is een gewijzigde afspraak of voldoende duidelijke toestemming nodig, en gedogen is dat niet. Een webshop die op een bedrijventerrein een afhaalbalie opent, kan jaren later in een ander regime blijken te zitten dan het contract suggereert. Bij gecombineerd gebruik is eerst de vraag of de activiteiten samen één 290-bedrijf vormen en of het gehuurde splitsbaar is; pas bij werkelijk gemengd en niet-splitsbaar gebruik telt het zwaartepunt van het gebruik.

Wat u wel en niet kunt wegschrijven

Een clausule die afdeling 6 buiten toepassing verklaart, houdt in beginsel geen stand: artikel 7:291 BW verbiedt afwijking ten nadele van de huurder, tenzij de rechter het beding heeft goedgekeurd, en die goedkeuring wordt alleen gegeven als de rechten van de huurder niet wezenlijk worden aangetast of zijn maatschappelijke positie de bescherming overbodig maakt. Andersom besliste de Hoge Raad op 6 maart 2026 dat partijen afdeling 7.4.6 BW juist wel van toepassing kunnen verklaren op een ruimte die niet onder artikel 7:290 lid 2 BW valt. De bestemmingsclausule is daarom de bepaling waar de werkelijke ruimte zit. Welk van de twee ROZ-modellen is gebruikt, kiest het regime niet — bestemming, partijbedoeling en inrichting blijven beslissend — maar het model weegt in de uitleg wel zwaar mee. Dit artikel zet de wettelijke criteria naast elkaar, laat zien hoe de kwalificatie met het gebruik kan meebewegen, en geeft zeven vragen om vóór een verlenging of een opzegging langs de eigen huurovereenkomst te leggen.

Read more

Sinds 15 augustus bereikt de zorgplicht u via de contracten van uw klanten

De Cyberbeveiligingswet en het bijbehorende Cyberbeveiligingsbesluit gelden sinds 15 augustus 2026. Voor de meeste ondernemers begint deze wet niet met een brief van een toezichthouder, maar met een vragenlijst van een klant. Een softwarebureau van veertien man valt zelf niet onder de Cyberbeveiligingswet en krijgt toch elf pagina's aan vragen over back-ups, toegangsbeheer en onderaannemers, plus een addendum bij het bestaande onderhoudscontract. Zo bereikt deze regelgeving het mkb: via het contract van iemand anders. De ondernemer die zo'n vragenlijst krijgt, staat daarmee voor een contractenvraag in plaats van een technische.

Wat er precies is gaan gelden

Staatsblad 2026, 189 bevat geen wettekst maar een algemene maatregel van bestuur die de open normen van de wet invult. Artikel 35 laat wet en besluit samen op 15 augustus 2026 in werking treden, waarbij bewust is afgeweken van de vaste verandermomenten omdat het om implementatie van de Europese NIS2-richtlijn gaat. In de toelichting staat één zin die veel bestuurders zullen willen aanstrepen: het besluit voorziet niet in overgangsrecht. Geen wettelijke ingroeiperiode en geen apart regime voor kleinere entiteiten die net binnen de reikwijdte vallen. Het geraadpleegde mkb-panel heeft om zo'n ingroeiperiode gevraagd en die niet gekregen.

De plicht die u bereikt zonder dat u eronder valt

Artikel 10 van het besluit verplicht de entiteiten waarop het van toepassing is tot schriftelijk beleid over de beveiliging van hun toeleveringsketen, en tot periodieke toetsing van hun rechtstreekse leveranciers en dienstverleners. Artikel 4 zondert daarbij elf typen entiteiten uit, waaronder aanbieders van cloudcomputingdiensten en van beheerde diensten, omdat voor hen een Europese uitvoeringsverordening rechtstreeks geldt. Het woord "rechtstreekse" doet vervolgens het werk: de toetsplicht stopt bij de partijen waarmee de entiteit zelf een contract heeft. Verder de keten in reikt zij alleen als partijen dat contractueel doorleggen. De toelichting bakent de reikwijdte af met een voorbeeld dat blijft hangen: de leverancier van potloden valt erbuiten, de softwareleverancier valt er wel binnen.

Wat dit betekent voor uw voorwaarden

De toelichting noemt zelf de instrumenten waarmee entiteiten aan hun toetsplicht voldoen: certificering, clausules in leveringsovereenkomsten, heronderhandeling, een aanvullend contract of overstappen naar een andere partij. Dit stuk publiekrecht wordt in de praktijk dus vooral een golf van contractwijzigingen. Het artikel behandelt vier punten die u moet nakijken voordat u tekent, waaronder de garantiebepaling die u laat verklaren dat u aan een wet voldoet die aan u, als u zelf geen entiteit bent, helemaal geen eisen stelt, en sluit af met vijf stappen die een mkb-bedrijf deze week zelf kan zetten.

Read more

De kennisclausule: wat uw leverancier na de opdracht mag meenemen

Achterin de huisvoorwaarden van een dienstverlener kan een bepaling van twee regels staan: de opdrachtnemer mag de bij de uitvoering van de overeenkomst opgedane kennis ook voor andere doeleinden gebruiken, zolang daarbij geen strikt vertrouwelijke informatie van de opdrachtgever bij derden terechtkomt. Zij wordt zelden onderhandeld en bijna nooit gelezen, en zij regelt de waardevolste opbrengst van een opdracht: het begrip van hoe uw onderneming werkt. De gangbare branchestandaard kent haar niet — de NLdigital Voorwaarden van 2025 bevatten geen bepaling over hergebruik van opgedane kennis — waardoor zij vooral opduikt in de eigen voorwaarden van een individuele leverancier. Wie drie jaar lang een softwarehuis, een ingenieursbureau of een dataconsultant meekijkt in calculatie, planning en klantpatronen, geeft precies datgene prijs waar deze kennisclausule in algemene voorwaarden over gaat.

Waarom de wet u hier niet redt

Bij auteursrecht op ontwerp of code weet u waar u staat: het recht ontstaat bij de maker en gaat pas over bij akte. Werkwijzen, calculatieregels en inkoopstrategie kennen zo'n absoluut recht niet. Zij kunnen wel als bedrijfsgeheim worden beschermd, mits aan drie cumulatieve kenmerken is voldaan, en binnen die bescherming weegt zwaar wat partijen zelf hebben afgesproken. De Wet bescherming bedrijfsgeheimen stelt drie cumulatieve eisen — de informatie is geheim, zij heeft handelswaarde omdat zij geheim is, en u nam er redelijke maatregelen toe. Een kennisclausule snijdt geen van die eisen automatisch af; zij geeft de leverancier een contractuele grondslag voor het overeengekomen gebruik en weegt mee bij de beoordeling van uw geheimhoudingsmaatregelen. Of gebruik vervolgens onrechtmatig is, hangt mede af van toestemming en van schending van een contractuele gebruiksbeperking. Hoever de clausule reikt, is een uitleg- en reikwijdtevraag. Daar komt de toepasselijkheidsvraag bovenop. Wie zijn eigen inkoopvoorwaarden onder aan de bestelbon zet zonder de voorwaarden van de wederpartij uitdrukkelijk van de hand te wijzen, wint de botsing van voorwaardensets niet.

Wat er sinds de komst van AI is verschoven

De bepaling is geschreven voor een adviseur die iets onthield. Zijn geheugen was begrensd, gebonden aan één persoon, en verdween grotendeels bij een baanwissel. Bij een moderne dienstverlener kan dezelfde opgedane kennis achterblijven in een verfijnd model, een promptbibliotheek of een intern sjabloon: niet gebonden aan de mensen die bij u aan tafel zaten, niet aan te wijzen in één document, en zichtbaar als output waarvan de herkomst zich slecht laat reconstrueren. Voor persoonsgegevens kan de clausule de verwerking niet zelfstandig legitimeren — een verwerker verwerkt uitsluitend op gedocumenteerde instructie, behoudens een wettelijke verplichting, en rol, grondslag en doelbinding volgen uit de feiten en uit de AVG. Voor de overige knowhow houdt het beding wel betekenis, binnen zijn uitgelegde reikwijdte.

Waar u het verschil maakt

Het gaat om drie concrete plekken in uw leverancierscontract: de definitie van strikt vertrouwelijk, de vraag of de uitzondering ook intern hergebruik verbiedt, en de rangorde tussen geheimhoudingsovereenkomst, verwerkersovereenkomst en algemene voorwaarden. Dit artikel loopt die plekken langs met acht vragen die u vóór de opdrachtbevestiging kunt stellen, met de smalle routes die overblijven wanneer de handtekening er al staat, en met het verlengingsmoment als het punt waarop een aanvullende afspraak over hergebruik nog goedkoop is.

Read more

Betaald, geleverd, en toch niet van u

Neem een situatie die zich in wisselende gedaanten steeds herhaalt. Een ondernemer verkoopt zijn bedrijf en krijgt in het boekenonderzoek een vraag waarop niemand zich had voorbereid: waar staat eigenlijk dat het logo, de website en de productfotografie van de vennootschap zijn? Er liggen offertes, een opdrachtbevestiging en betaalde facturen van het ontwerpbureau. Verder niets. Het bureau bevestigt vriendelijk dat het auteursrecht bij hen ligt, en juridisch heeft het gelijk. De koopprijs zakt of een deel ervan gaat in escrow. Dat is geen ongelukkige uitzondering, maar de standaarduitkomst van de Auteurswet zodra partijen over rechten niets hebben vastgelegd: het recht ontstaat bij de maker en blijft daar, hoeveel facturen er ook zijn voldaan.

Schriftelijke overeenkomst, en voor de overdracht ook een akte

De wet stelt twee eisen naast elkaar. De overeenkomst waarin auteursrecht wordt overgedragen of een exclusieve licentie wordt verleend, moet schriftelijk worden aangegaan, en voor de overdracht komt daar een levering bij akte overheen. Een losse e-mail waarin staat dat alles van u is, haalt die drempel in beginsel niet. Draagt de maker zelf over, dan gaan alleen de bevoegdheden mee die uitdrukkelijk zijn genoemd of noodzakelijkerwijs uit de overeenkomst voortvloeien. Voor werknemers geldt een uitzondering: wat zij in hun functie maken, komt behoudens afwijkende afspraak van meet af aan bij de werkgever terecht. Voor zzp’ers, bureaus en hun toeleveranciers geldt die regel niet, en een bureau kan bovendien alleen overdragen wat het zelf van zijn eigen mensen heeft verkregen.

Wat u zonder overdracht wél heeft

Zonder overdracht houdt u meestal een gebruiksrecht voor het doel waarvoor u de opdracht gaf: de huisstijl om mee te ondernemen, de foto’s voor de webshop, de site om online te staan. Hoe ver dat recht reikt, is een kwestie van uitleg; exclusiviteit levert het zelden op, ruimte om het werk te verbouwen botst op de persoonlijkheidsrechten van de maker, en of het meegaat bij een overname of herstructurering staat allerminst vast. Daarnaast volgen het merk en de domeinnaam de registratie, volgen hosting en codeopslag het account, en blijven bewerkbare bronbestanden, lettertypen en stockbeeld vaak bij het bureau achter.

Acht punten vóór de eerste factuur

Het artikel zet de wettelijke regels naast de dagelijkse praktijk van ontwerp, code en fotografie, en sluit af met een checklist van acht afspraken die in de opdrachtbevestiging horen: de schriftelijke overdracht met akte, de opsomming van bevoegdheden, de rechtenketen en vrijwaring, persoonlijkheidsrechten, bronbestanden en licenties, registraties en accounts, de koppeling aan betaling, en de portfoliobepaling. Voor werk dat al is opgeleverd volgt een herstelroute, inclusief de momenten waarop uw onderhandelingspositie vanzelf weer sterker wordt.

Read more

Er winkelt een agent in uw webshop

Op 4 augustus 2026 vernietigde het Amerikaanse hof van beroep voor het Ninth Circuit de voorlopige voorziening die Amazon had verkregen tegen Perplexity's browserassistent. Op dit dossier, zo oordeelde het hof, verkreeg de gebruiker zelf toegang tot Amazons systemen; de Amerikaanse anti-hackwet richt zich op personen, en de assistent was hun gereedschap. Het hof onderstreepte de beperkte reikwijdte van zijn beslissing, de zaak loopt door, en toch haalde de uitspraak wereldwijd de vakpers. De onderliggende vraag ligt namelijk ook op het bord van elke Nederlandse ondernemer met een webshop of klantportaal. AI-agenten die op instructie van een klant prijzen vergelijken, formulieren invullen en bestellingen afrekenen, zijn technisch gewoon bezoekers; juridisch dwingen ze u opnieuw na te denken over de vraag met wie u eigenlijk contracteert.

Wie is gebonden als een agent bestelt?

Naar Nederlands recht is het antwoord geruststellend nuchter. Een agent is zelf geen rechtssubject en wordt geen partij; de bestelling kan worden toegerekend aan de gebruiker die hem inzette, een mens of een rechtspersoon, en de koop komt dan gewoon tot stand door aanbod en aanvaarding. Dat geldt ook omgekeerd: laat uw eigen medewerker een inkooporder door een assistent plaatsen, dan kan die order uw bedrijf binden. De echte werkvragen zitten een laag dieper: gelden uw algemene voorwaarden wanneer een machine ze te zien krijgt, houdt uw beroep op een kennelijke prijsfout stand tegen een agent die in minuten tientallen exemplaren bestelt, en kunt u achteraf bewijzen wat de bezoeker in uw bestelflow getoond kreeg?

Spelregels stelt u aan de balie

Het artikel loopt de Amerikaanse uitspraak langs en vertaalt haar naar de Nederlandse praktijk: de terhandstellingsplicht bij elektronisch contracteren, de botbepaling waarmee u geautomatiseerd gebruik toestaat, weert of kanaliseert, de prijsfoutclausule en de logging die uw bewijspositie draagt.

Vijf vragen voor uw eigen flow

Een beslisschema van vijf vragen helpt u uw webshop of portaal agent-klaar te maken, van de voorwaardenversie in de bestelflow tot interne afspraken over wie bij u een agent mag laten inkopen. Zo bepaalt u zelf de spelregels voordat de eerste agent-bestelling tussen de ochtendorders zit.

Read more