Een fabrikant van e-bike-onderdelen in Eindhoven laat zijn productontwerper in het voorjaar van 2026 een nieuwe framebeugel ontwerpen. De ontwerper voert belastingen, bevestigingspunten en het doelgewicht in een generative-designprogramma in, laat de software tientallen varianten berekenen, kiest er één en past die daarna op drie punten met de hand aan. De teksten voor de productpagina laat hij in eerste versie door een AI-tool schrijven. In september vertrekt hij naar een concurrent, en twee maanden later ligt daar een beugel in de winkel die er vrijwel hetzelfde uitziet. Het voorbeeld is fictief. De vraag wie de rechten heeft op werk dat een werknemer met AI maakt, speelt in elk bedrijf waar ontwerpen, teksten of code met AI-hulp ontstaan.

In deze zaak lopen twee vragen door elkaar. De eerste is wie eigenaar is als er auteursrecht op het ontwerp rust. De tweede is of er auteursrecht op rust, nu de software een groot deel van de vorm heeft berekend. De Auteurswet beantwoordt de eerste vraag vrij eenvoudig. De tweede is lastiger, en het antwoord bepaalt welke bescherming de fabrikant tegenover de concurrent overhoudt.
Wie eigenaar is van het werk van een werknemer: artikel 7 Auteurswet
Artikel 7 Auteurswet bepaalt dat, als de arbeid in dienst van een ander bestaat in het vervaardigen van bepaalde werken, degene in wiens dienst de werken zijn vervaardigd als de maker wordt aangemerkt, tenzij partijen iets anders zijn overeengekomen. De werkgever geldt dan van rechtswege als maker en is dus rechthebbende. Een akte van overdracht is niet nodig. De regel geldt ook voor computerprogramma's en voor tekeningen en modellen van nijverheid, die artikel 10 lid 1 onder 12° en 11° uitdrukkelijk als werken noemt.
Artikel 7 heeft twee voorwaarden die in de praktijk tellen. Er moet een arbeidsovereenkomst zijn, en het maken van dit soort werk moet tot de taken van de werknemer behoren. Ontwerpt een magazijnmedewerker in zijn vrije tijd een beugel, dan is het allerminst zeker dat de werkgever maker is. Een freelancer of een ingehuurd ontwerpbureau valt helemaal buiten artikel 7. Daar blijft de maker eigenaar totdat een schriftelijke akte van overdracht is getekend, zoals we uitwerkten in ons artikel over het auteursrecht van een freelancer en de akte van artikel 2 Auteurswet. Dat de werknemer AI heeft gebruikt, verandert niets aan wie volgens artikel 7 maker is. Het AI-gebruik raakt wel de vraag of er een beschermd werk is.
Of een ontwerp dat met AI is gemaakt auteursrecht krijgt: Endstra, Infopaq, Cofemel en Brompton
Auteursrecht ontstaat alleen op een werk met een eigen, oorspronkelijk karakter dat het persoonlijk stempel van de maker draagt. Zo formuleerde de Hoge Raad het in het Endstra-arrest van 30 mei 2008. Het Hof van Justitie spreekt sinds Infopaq (C-5/08, 16 juli 2009) van een eigen intellectuele schepping van de auteur, en werkte dat in Cofemel (C-683/17, 12 september 2019) uit tot een werk dat de persoonlijkheid van de maker weerspiegelt door zijn vrije en creatieve keuzes. Die maatstaf gaat uit van keuzes van een mens. Bij AI-werk is de vraag daarom steeds welke keuzes de werknemer zelf heeft gemaakt, en of die in het eindresultaat terug te zien zijn.
Voor de framebeugel komt daar een tweede drempel bij, die toevallig uit de fietsenwereld komt. In het Brompton-arrest (C-833/18, 11 juni 2020) over de vouwfiets oordeelde het Hof dat een vorm die alleen door de technische functie wordt bepaald geen auteursrecht krijgt. Een vorm die naast de functie ook vrije en creatieve keuzes weerspiegelt, kan wel beschermd zijn. Een beugel waarvan software de vorm uit belasting en gewicht heeft afgeleid, zit dicht bij die grens. De drie handmatige aanpassingen kunnen het verschil maken, als ze een vormkeuze zijn en de techniek ze niet al voorschreef. Voor de productteksten werkt het net zo: heeft de werknemer de AI-versie grondig herschreven, geordend en ingekort, dan is de kans op bescherming groter dan bij een tekst die ongewijzigd is overgenomen.
In een geschil moet de werkgever die menselijke keuzes kunnen aantonen. Het eindresultaat zelf is daarvoor een eerste bewijsmiddel; de tussenstappen maken het bewijs sterker: de varianten die de software voorstelde, de keuze daaruit, de bestandsversies met de handmatige wijzigingen en de gebruikte prompts. Een bedrijf dat alleen het eindbestand bewaart, kan bij een conflict moeilijk laten zien wat de ontwerper zelf heeft bijgedragen.
Welke bescherming u zonder auteursrecht overhoudt: bedrijfsgeheim, concurrentiebeding en de voorwaarden van de AI-tool
Zonder auteursrecht heeft de fabrikant nog andere routes. De CAD-bestanden, rekenparameters en testresultaten kunnen een bedrijfsgeheim zijn onder artikel 1 van de Wet bescherming bedrijfsgeheimen. Daarvoor moet de informatie werkelijk geheim zijn, handelswaarde hebben omdat zij geheim is, en moet de fabrikant redelijke maatregelen hebben genomen om haar geheim te houden. Welke maatregelen dat bij AI-gebruik op de werkvloer zijn, bespraken we in ons artikel over AI-tools op de werkvloer en artikel 1 Wbb. Neemt de ontwerper die bestanden mee en gebruikt de concurrent ze, dan kan dat inbreuk op het bedrijfsgeheim opleveren, ook als op de vorm zelf geen auteursrecht rust.
De arbeidsovereenkomst vormt de tweede laag. Een geheimhoudingsbeding kan doorlopen na het einde van de dienstbetrekking, als dat zo is afgesproken. Een concurrentiebeding is volgens artikel 7:653 BW alleen geldig als het schriftelijk is overeengekomen met een meerderjarige werknemer in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. In een contract voor bepaalde tijd is daarnaast een schriftelijke motivering nodig waaruit blijkt dat het beding noodzakelijk is vanwege zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen. De rechter kan het beding geheel of gedeeltelijk vernietigen als het de werknemer onbillijk benadeelt.
De derde laag zijn de gebruiksvoorwaarden van de AI-tool zelf. Veel aanbieders bepalen dat de gebruiker de rechten op de output krijgt, voor zover die rechten bestaan. Voor het mkb is vaak belangrijker wat de aanbieder met de invoer mag doen. Mag de aanbieder ingevoerde ontwerpen of teksten gebruiken om zijn modellen te trainen, dan heeft u minder zicht op waar uw gegevens terechtkomen, en dat kan uw beroep op geheimhouding verzwakken. Zakelijke licenties sluiten training op klantgegevens vaak uit, maar dat verschilt per aanbieder en per abonnement.
Vijf afspraken die u vastlegt voordat werknemers met AI ontwerpen, schrijven of programmeren
- Een IE-clausule in de arbeidsovereenkomst die bevestigt dat de rechten op werk dat in de functie ontstaat, ook met AI-hulp, bij de werkgever liggen, met een plicht tot medewerking aan overdracht van rechten waarvoor artikel 7 Auteurswet niet geldt.
- Een AI-beleid dat vastlegt welke tools en welke licenties zijn toegestaan, en welke gegevens er niet in mogen, zoals klantgegevens, broncode en ontwerpbestanden van nieuwe producten.
- Een bewaarafspraak voor tussenstappen: prompts, gegenereerde varianten, de gemaakte keuze en de handmatige wijzigingen, met datum en versienummer.
- Een geheimhoudingsbeding dat ook na uitdiensttreding geldt, en waar nodig een concurrentie- of relatiebeding dat aan de eisen van artikel 7:653 BW voldoet.
- Voor freelancers en bureaus: een getekende akte van overdracht, en een garantie dat de geleverde output geen rechten van derden schendt.
Wat de fabrikant uit Eindhoven nu tegen de concurrent kan doen
Kan de fabrikant aantonen dat de ontwerper eigen creatieve keuzes in de vorm van de beugel heeft gemaakt, dan is hij via artikel 7 Auteurswet rechthebbende. Tegen de beugel van de concurrent kan hij dan optreden als die juist de beschermde vormelementen overneemt, dus de creatieve keuzes van de ontwerper. Komt de gelijkenis alleen voort uit technisch bepaalde onderdelen of uit wat de software zelf berekende, dan is er geen inbreuk op het auteursrecht. Lukt dat niet, dan blijft de route via het bedrijfsgeheim over, als de ontwerper de bestanden heeft meegenomen en die bestanden aan de drie eisen van artikel 1 Wbb voldoen. Het nabootsen van een product dat niet door een intellectueel eigendomsrecht wordt beschermd, is in beginsel toegestaan. Alleen onder bijkomende omstandigheden, zoals vermijdbaar verwarringsgevaar, is het onrechtmatig op grond van artikel 6:162 BW. Welke route het sterkst is, hangt dus af van wat er in de arbeidsovereenkomst stond en van wat de fabrikant in het voorjaar heeft bewaard. Wie zijn leveranciers laat meedenken over ontwerpen, vindt in ons stuk over de kennisclausule de spiegelvraag: wat mag een leverancier na de opdracht meenemen?
Laat uw eigen arbeidsovereenkomsten of freelancecontracten gerust door onze contractscan lopen. U ziet dan snel welke afspraken over intellectueel eigendom, geheimhouding en concurrentie erin staan, en welke er nog ontbreken.
Bronnen: Auteurswet, artikelen 2, 7 en 10; Burgerlijk Wetboek Boek 7, artikel 7:653; Burgerlijk Wetboek Boek 6, artikel 6:162; Hoge Raad 30 mei 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2153 (Endstra); HvJ EU 16 juli 2009, C-5/08 (Infopaq); HvJ EU 12 september 2019, C-683/17 (Cofemel); HvJ EU 11 juni 2020, C-833/18 (Brompton). Bronnen geraadpleegd op 4 november 2026. Het voorbeeld van de fabrikant is fictief.