Drie mensen richten een bv op, elk met een derde van de aandelen. Twee jaar later wil een van hen stoppen: een nieuwe baan, een verhuizing, of ruzie over de koers. Het bedrijf draait door, maar een derde van de zeggenschap en een derde van de winst zit bij iemand die er niet meer werkt. Wie koopt die aandelen, tegen welke prijs, en kan de vertrekker weigeren? Het antwoord staat meestal in twee stukken die bij de oprichting snel zijn getekend: de statuten en de aandeelhoudersovereenkomst. Wie ze naast elkaar legt, ziet vaak pas op dat moment dat ze elkaar tegenspreken.

Een touwgroep op een gletsjer is een bruikbaar beeld. Klikt één klimmer zijn karabiner los, dan hangt de rest anders aan het touw, en de groep moet vóór vertrek hebben afgesproken wie die plek overneemt. In een bv komt daar de vraag bij wat de vertrekker voor zijn aandelen krijgt. Dat is precies wat een good leaver- en bad leaverregeling doet. Dit artikel loopt langs wat Boek 2 BW daarover regelt, waar de wet een grens trekt die u niet kunt wegcontracteren, en welke keuzes u maakt als u de regeling nu opschrijft.
Wat artikel 2:192 BW toestaat: een aanbiedingsplicht in de statuten, met een prijs die deskundigen vaststellen
Artikel 2:192 lid 1 onder c BW laat de statuten bepalen dat een aandeelhouder "in gevallen, in de statuten omschreven" zijn aandelen moet aanbieden en overdragen. Die gevallen kunt u zelf kiezen: het einde van de samenwerking, een faillissement, een scheiding, een overtreding van een concurrentieafspraak. Lid 5 maakt de regeling afdwingbaar: de statuten kunnen de bv onherroepelijk volmacht geven om de aandelen zelf aan te bieden en over te dragen als de aandeelhouder dat niet binnen een redelijke termijn doet. Lid 4 geeft een tweede drukmiddel: zolang de verplichting niet is nagekomen, kunnen stemrecht, recht op uitkeringen en vergaderrecht zijn opgeschort.
Twee grenzen in hetzelfde artikel bepalen hoeveel een bad leaverkorting waard is. Volgens lid 1 kan zo'n verplichting "niet, ook niet onder voorwaarde of tijdsbepaling, tegen de wil van de aandeelhouder worden opgelegd". En lid 3 zegt dat de aandeelhouder die dat verlangt een prijs ontvangt gelijk aan de waarde van zijn aandelen, vastgesteld door een of meer onafhankelijke deskundigen. De statuten mogen een andere prijsregeling bevatten, maar die kan aan een aandeelhouder niet tegen zijn wil worden opgelegd. Een korting voor een bad leaver staat dus alleen stevig als iedere oprichter er zelf mee heeft ingestemd, bij de oprichting of bij een latere statutenwijziging.
Waarom de aandeelhoudersovereenkomst alleen de ondertekenaars bindt, en wat dat betekent bij een nieuwe investeerder
Veel oprichters zetten de leaverregeling alleen in de aandeelhoudersovereenkomst. Dat werkt tussen de mensen die tekenen. Een investeerder die later aandelen koopt en niet contractueel toetreedt, bijvoorbeeld met een toetredingsakte, is aan die overeenkomst niet gebonden. Een statutaire regeling bindt in de regel ook latere verkrijgers van de aandelen, al beschermt de wet de aandeelhouder die niet heeft ingestemd: artikel 2:192a BW geeft hem een uitweg als overdraging juist door die gebondenheid van de koper onmogelijk of uiterst bezwaarlijk wordt. Daarbij komt de blokkeringsregeling: sinds de flex-bv-wet van 1 oktober 2012 is die niet meer verplicht, maar artikel 2:195 lid 1 BW schrijft nog steeds een aanbieding aan de mede-aandeelhouders voor, tegen een door deskundigen vastgestelde prijs, tenzij de statuten anders bepalen. Staat in uw overeenkomst een lage bad leaverprijs en in uw statuten alleen de standaard aanbiedingsregeling, dan kan de vertrekker bij de statutaire aanbieding de getaxeerde waarde verlangen, terwijl u de lagere prijs alleen via de overeenkomst kunt proberen af te dwingen.
De overdracht zelf verloopt altijd via een notariële akte (artikel 2:196 BW). Een e-mail waarin de vertrekker "akkoord" geeft, verschuift dus nog geen enkel aandeel. En als er geen gegadigden zijn aan wie de vertrekker de aangeboden aandelen kan overdragen, ontbreekt volgens artikel 2:192 lid 5 BW de volmacht van de bv en is de aandeelhouder onherroepelijk ontheven van de statutaire plicht tot aanbieding en overdracht, en van een opschorting van zijn rechten. Hij houdt dan zijn aandelen, en de regeling is voor hem uitgewerkt. Wie de regeling opschrijft, regelt dus meteen wie koopt en met welk geld.
Hoe u good leaver en bad leaver definieert zonder dat de andere oprichters de uitkomst zelf kunnen bepalen
Over de definitie van een bad leaver ontstaat in de praktijk snel discussie. Een gangbare opzet noemt overlijden, langdurige arbeidsongeschiktheid en vertrek na een vaste periode good leaver; ontslag wegens een dringende reden, fraude en schending van een concurrentie- of geheimhoudingsafspraak heten bad leaver. Let op de koppeling aan het bestuurderschap. Een bestuurder kan volgens artikel 2:244 BW op ieder moment worden ontslagen door het orgaan dat hem benoemt. Maakt u "ontslag als bestuurder" tot bad leavergrond, dan kunnen de twee andere oprichters met hun meerderheid in de algemene vergadering zelf bepalen wie tegen een lage prijs vertrekt. Koppel de bad leaverstatus daarom aan gedrag dat u kunt bewijzen, en neem het ontslag als bestuurder hooguit op als aanleiding voor een aanbiedingsplicht tegen de getaxeerde waarde.
Een tweede instrument is vesting: de aandelen "verdienen" zich in de loop van de tijd, bijvoorbeeld een kwart per jaar over vier jaar, met een wachtperiode van twaalf maanden. Vertrekt iemand na achttien maanden, dan geldt de volle prijs voor het verdiende deel en de lagere prijs voor de rest. Dat maakt de uitkomst voorspelbaarder dan één harde grens tussen goed en slecht.
Ook de korting zelf verdient aandacht. Wordt een bad leaver verplicht zijn aandelen tegen nominale waarde af te staan terwijl ze het tienvoudige waard zijn, dan kan de vraag opkomen of dat verschil werkt als een boetebeding dat de rechter onder artikel 6:94 BW kan matigen. Het antwoord hangt af van de uitleg van het beding in het concrete geval; een korting die in verhouding staat tot het verdiende deel en die ieder heeft aanvaard, geeft minder aanknopingspunten dan een korting die de hele waarde wegneemt.
Wat er gebeurt zonder regeling: uittreding en uitstoting bij de Ondernemingskamer in Amsterdam
Ontbreekt een regeling, dan blijven de wettelijke geschillenregelingen over. Een aandeelhouder die door gedragingen van zijn mede-aandeelhouders zo is geschaad dat voortzetting van zijn aandeelhouderschap niet meer van hem kan worden gevergd, kan de Ondernemingskamer vragen hen te bevelen zijn aandelen over te nemen (artikel 2:343 BW, uittreding). Omgekeerd kunnen aandeelhouders met samen ten minste een derde van het geplaatste kapitaal vragen dat een aandeelhouder wordt uitgestoten wiens gedrag het belang van de vennootschap zodanig schaadt dat zijn aandeelhouderschap in redelijkheid niet kan worden geduld (artikel 2:336a BW). Beide routes kosten tijd en geld, en de prijs volgt dan uit die procedure, waarin de Ondernemingskamer een of meer deskundigen kan benoemen. Een leaverregeling die bij de oprichting is afgesproken, voorkomt meestal dat het zover komt.
Zeven punten om uw leaverregeling vandaag te controleren
- Vindplaats. Staat de aanbiedingsplicht in de statuten (artikel 2:192 lid 1 onder c BW), of alleen in de aandeelhoudersovereenkomst?
- Instemming. Heeft iedere oprichter aantoonbaar ingestemd met een afwijkende prijsregeling, zoals artikel 2:192 lid 3 BW vereist?
- Triggers. Zijn good leaver en bad leaver gedefinieerd aan de hand van gedrag en feiten die buiten de macht van de andere aandeelhouders liggen?
- Vesting. Bouwt de volle prijs zich geleidelijk op, of is er één harde datum?
- Prijs. Is duidelijk wie de waarde vaststelt, per welke peildatum, en hoe lang de deskundige daarvoor krijgt?
- Koper en financiering. Wie koopt: de mede-aandeelhouders naar evenredigheid, een door de bv aangewezen derde, of de bv zelf binnen de grenzen van artikel 2:207 BW? En uit welk geld?
- Doorwerking. Moeten nieuwe aandeelhouders via een toetredingsakte aan de overeenkomst gebonden worden, en sluiten statuten, aandeelhoudersovereenkomst en managementovereenkomst op elkaar aan?
Vertrekt een medeoprichter met kennis, klanten of code, dan speelt ook de vraag welke bedrijfsinformatie hij mag meenemen. De eisen die de Wet bescherming bedrijfsgeheimen daaraan stelt, bespraken we in het stuk over artikel 1 Wbb en de maatregelen die een bedrijfsgeheim in stand houden; voor wat een externe partij na afloop mag hergebruiken, zie de kennisclausule.
Heeft u uw aandeelhoudersovereenkomst sinds de oprichting niet meer gelezen? Leg haar dan eens in de contractscan van JAVB. Die leest de leaverregeling, de prijsbepaling en de koppeling aan het bestuurderschap met u mee, zodat u rustig ziet wat u met uw medeoprichters wilt bijstellen, lang voordat een van jullie zich wil losmaken.
Bronnen
- Burgerlijk Wetboek Boek 2, artikel 2:192 (statutaire verplichtingen, aanbiedingsplicht en prijsbepaling)
- Burgerlijk Wetboek Boek 2, artikel 2:195 (overdraagbaarheid van aandelen en aanbiedingsregeling)
- Burgerlijk Wetboek Boek 2, artikel 2:196 (notariële akte voor levering van aandelen)
- Burgerlijk Wetboek Boek 2, artikel 2:192a (uitweg voor de niet-gebonden aandeelhouder)
- Burgerlijk Wetboek Boek 2, artikel 2:336a (uitstoting)
- Burgerlijk Wetboek Boek 2, artikel 2:343 (uittreding)
Wetteksten geraadpleegd via wetten.overheid.nl op 24 september 2026. Gepubliceerde informatie, geen juridisch advies over een concreet geval.